top of page

Thuisbatterij na het salderen: slimme investering of vooral slim verkopen?

2 dagen geleden
7 minuten om te lezen

Vanaf 1 januari 2027 verandert er iets fundamenteels voor miljoenen huishoudens met zonnepanelen. De salderingsregeling stopt. Vanaf dat moment kunnen we zonnestroom die we overdag terugleveren niet langer één-op-één wegstrepen tegen stroom die we op een ander moment van het net halen.

En daarmee ontstaat een logische vraag: wat moet ik straks met mijn overtollige zonnestroom doen?


Terugleveren? Opslaan in een thuisbatterij? Mijn elektrische auto ermee opladen? Mijn warmtepomp juist overdag laten draaien? Of misschien zelfs handelen met stroom op momenten dat de elektriciteitsprijs hoog of laag is?

Het antwoord is minder eenvoudig dan sommige advertenties voor thuisbatterijen doen vermoeden.



Eerst: wat verandert er precies in 2027?

Tot en met 31 december 2026 werkt het elektriciteitsnet voor huishoudens met zonnepanelen financieel eigenlijk deels als een grote batterij. Lever je in de zomer bijvoorbeeld 2.500 kWh terug en neem je later in het jaar dezelfde hoeveelheid stroom af, dan kun je die hoeveelheden tegen elkaar wegstrepen.

Vanaf 1 januari 2027 stopt dat.


Voor alle elektriciteit die je vanaf dat moment van het net haalt, betaal je weer het normale leveringstarief, inclusief energiebelasting en btw. Voor elektriciteit die je teruglevert ontvang je een terugleververgoeding. Tot 2030 moet die minimaal 50% bedragen van het kale leveringstarief, dus exclusief belastingen. Energieleveranciers mogen daarnaast onder voorwaarden terugleverkosten rekenen.  

En precies daar ontstaat het verschil.

Een kilowattuur die ik zelf opwek en direct in mijn huis, warmtepomp of auto gebruik, voorkomt dat ik later een relatief dure kilowattuur hoef in te kopen. Een kilowattuur die ik teruglever levert doorgaans aanzienlijk minder op.

Zelf gebruiken wordt daardoor financieel veel interessanter dan terugleveren.


Mijn eigen woning als voorbeeld

Dat maakt deze discussie voor mijzelf ook heel concreet.

Mijn woning is gebouwd in 2018 en had bij oplevering energielabel A. Inmiddels heb ik een hybride warmtepomp geplaatst en zes extra zonnepanelen toegevoegd. Daarmee is de energieprestatie verder verbeterd. Daarnaast rijd ik elektrisch.

Op papier een behoorlijk toekomstbestendige woning.


Maar ook bij mij ontstaat vanaf 2027 een nieuwe vraag.

Mijn zonnepanelen produceren de meeste elektriciteit midden op de dag en vooral in de lente en zomer. Mijn huishouden gebruikt juist ook ’s avonds elektriciteit. Mijn warmtepomp verbruikt vooral energie wanneer warmte nodig is en mijn auto staat niet altijd thuis wanneer de zonnepanelen maximaal produceren. Dus: hoe zorg ik ervoor dat ik zoveel mogelijk van mijn eigen zonnestroom ook daadwerkelijk zelf gebruik? Dat is uiteindelijk een belangrijkere vraag dan: “Moet ik een thuisbatterij kopen?”


De goedkoopste batterij staat misschien al op mijn oprit

Daarbij wordt vaak één mogelijkheid onderschat: de elektrische auto.

De batterij van een elektrische auto is enorm vergeleken met een gemiddelde thuisbatterij. Milieu Centraal noemt voor een elektrische auto een gemiddelde accucapaciteit van circa 60 kWh, terwijl thuisbatterijen meestal ergens tussen 2 en 20 kWh zitten. Door een elektrische auto slim te laden wanneer de zonnepanelen veel produceren, kan het eigen gebruik van zonnestroom volgens Milieu Centraal grofweg stijgen van ongeveer 30% naar meer dan 50%.  


Dat maakt in mijn situatie slim laden een van de eerste dingen waar ik naar zou kijken.

Als mijn auto thuisstaat terwijl mijn zonnepanelen 4, 5 of 6 kW produceren, is het financieel waarschijnlijk aantrekkelijker om die elektriciteit direct in mijn auto te stoppen dan eerst terug te leveren en dezelfde energie later opnieuw in te kopen.

Daar heb ik bovendien geen extra batterij voor nodig. Die batterij heb ik immers al gekocht toen ik de auto kocht.


En de warmtepomp?

Hetzelfde principe geldt voor een warmtepomp.

Een woning hoeft niet per se elektriciteit op te slaan in een chemische batterij. Je kunt energie ook tijdelijk opslaan in warmte.

Een boiler of buffervat kan bijvoorbeeld juist overdag worden verwarmd wanneer veel zonnestroom beschikbaar is. Ook een warmtepomp kan binnen bepaalde grenzen slimmer worden aangestuurd. Milieu Centraal wijst erop dat huishoudens door warmwaterproductie slim naar zonnige uren te verschuiven een aanzienlijk groter deel van hun eigen zonnestroom kunnen benutten. Bij een hybride warmtepomp zoals bij mij zijn die mogelijkheden anders dan bij een volledig elektrische installatie met een groot buffervat, maar het principe blijft hetzelfde: probeer de energievraag zoveel mogelijk te verplaatsen naar het moment waarop je zelf energie produceert.


Wanneer komt de thuisbatterij dan in beeld?

Pas daarna zou ik naar een batterij kijken. Een thuisbatterij doet in essentie iets eenvoudigs. Overdag wordt overtollige zonnestroom opgeslagen en ’s avonds of ’s nachts wordt deze weer gebruikt. Dat klinkt ideaal. Maar het financiële resultaat wordt bepaald door het prijsverschil tussen terugleveren en later inkopen, de aanschafprijs van de batterij, de hoeveelheid elektriciteit die je daadwerkelijk kunt verschuiven en de verliezen tijdens laden en ontladen. Een batterij is namelijk geen seizoensopslag. De zonnestroom die ik in juli produceer kan ik niet bewaren voor mijn warmtepomp in januari. Een thuisbatterij verschuift energie vooral binnen dezelfde dag of hooguit enkele dagen. Dat onderscheid vind ik belangrijk.


Groter is niet automatisch beter

Ook hier zie je in de markt een opvallend mechanisme. Er worden regelmatig grote systemen aangeboden, terwijl juist een kleinere batterij financieel aantrekkelijker kan zijn. De Consumentenbond adviseert bij de dimensionering onder andere te kijken naar de opbrengst van zonnepanelen én naar het dagelijkse elektriciteitsverbruik. Bij een gemiddeld verbruik van 10 kWh per dag kan bijvoorbeeld een batterij van circa 6 tot 8 kWh passend zijn. Een batterij van 15 kWh kopen terwijl je op veel dagen maar 4 kWh kunt vullen en leegmaken, betekent dat een groot deel van je investering nauwelijks wordt gebruikt. En juist het aantal laadcycli is belangrijk voor de businesscase. Een kleinere batterij die vrijwel iedere zonnige dag wordt opgeladen en ’s avonds weer wordt gebruikt, kan daardoor financieel interessanter zijn dan een grote batterij die de helft van de tijd halfvol blijft staan.


Wat kost zo’n batterij ongeveer?

De markt beweegt momenteel snel. Voor vaste systemen worden bedragen van enkele duizenden euro’s genoemd. In het Elsevier-artikel dat mij aanleiding gaf om hier verder naar te kijken, wordt voor een gemiddeld vast systeem ongeveer €4.000 tot €6.000 inclusief installatie genoemd. Daarnaast ontstaat een nieuwe categorie: de stekkerbatterij. Die kan veel kleiner en goedkoper zijn. De Consumentenbond test inmiddels plug-in batterijen en ziet dat deze zonder uitgebreide installatie kunnen worden toegepast.  


Daarmee verandert ook de rekensom.

Een investering van €1.000 à €1.500 moet immers heel anders worden beoordeeld dan een vast systeem van €5.000 of €6.000.


Stel bijvoorbeeld dat ik met een batterij jaarlijks 1.000 kWh zonnestroom van de middag naar de avond kan verschuiven. Als ik anders voor die stroom netto €0,05 per kWh terugleververgoeding zou ontvangen en later €0,25 per kWh voor stroom van het net betaal, bedraagt het theoretische prijsverschil €0,20. Dan is de maximale besparing: 1.000 kWh × €0,20 = €200 per jaar.


Bij een batterij van €5.000 is de eenvoudige terugverdientijd dan 25 jaar, nog zonder rekening te houden met energieverlies, degradatie of financieringskosten.

Bij een kleinere batterij van €1.500 waarmee bijvoorbeeld 600 kWh per jaar effectief wordt verschoven: 600 × €0,20 = €120 per jaar.

Dan kom je uit op ongeveer 12,5 jaar.


Geen garantie dus dat een kleine batterij zich automatisch terugverdient, maar het laat wel zien waarom goed dimensioneren belangrijker kan zijn dan maximale opslagcapaciteit.


En handelen met stroom?

Daar wordt het verhaal interessanter, maar ook complexer. Moderne batterijsystemen kunnen worden gecombineerd met dynamische energiecontracten. De software kan dan laden wanneer elektriciteit goedkoop is en ontladen wanneer elektriciteit duur is. Sommige aanbieders gebruiken batterijen daarnaast voor handel op energie- en balanceringsmarkten. Dat kan extra inkomsten opleveren. Maar daar zou ik als consument voorzichtig mee rekenen. Die inkomsten zijn afhankelijk van prijsverschillen, regels op de energiemarkt, tarieven van aanbieders en het gedrag van duizenden andere batterijen. Wanneer steeds meer huishoudens hetzelfde gaan doen, kunnen juist de prijsverschillen waarop zo’n verdienmodel is gebaseerd kleiner worden. Een gegarandeerde terugverdientijd op basis van energiehandel zou ik daarom kritisch bekijken.


Voor mij begint de rekensom ergens anders

Als ik mijn eigen woning als voorbeeld neem, zou mijn volgorde daarom ongeveer deze zijn:

  1. Hoeveel elektriciteit wek ik werkelijk per jaar op?

  2. Hoeveel lever ik daarvan terug aan het net en op welke momenten?

  3. Hoeveel elektriciteit koop ik ’s avonds en ’s nachts weer in?

  4. Kan ik mijn elektrische auto vaker laden wanneer mijn zonnepanelen produceren?

  5. Kan ik mijn warmtepomp of andere apparaten slimmer aansturen?

  6. Welk deel blijft daarna nog over dat ik dagelijks met een batterij zou kunnen verschuiven?


Pas bij vraag zes ontstaat wat mij betreft de echte businesscase van een thuisbatterij.

Een Home Energy Management System (HEMS) kan daarbij steeds belangrijker worden. Zo’n systeem probeert zonnepanelen, batterij, laadpaal en warmtepomp gezamenlijk aan te sturen op basis van opwek, energieprijzen en het verwachte energiegebruik.  En daar zit volgens mij uiteindelijk een belangrijk deel van de toekomst. Niet ieder apparaat afzonderlijk optimaliseren, maar de woning als één energiesysteem aansturen.


Wordt mijn energierekening vanaf 2027 hoger?

Voor mijn eigen woning is het eerlijke antwoord: waarschijnlijk verandert de rekensom.

Zonnestroom die ik nu in de zomer teruglever en later via salderen volledig kan terugkrijgen, krijgt vanaf 2027 een veel lagere financiële waarde. Als ik niets verander aan mijn energiegedrag kan mijn netto energierekening daardoor oplopen.


Maar dat betekent niet automatisch dat ik morgen een batterij moet bestellen.

Juist omdat ik al een elektrische auto, zonnepanelen en een warmtepomp heb, zijn er meerdere manieren om mijn eigen zonnestroom beter te benutten. Mijn eerste euro zou daarom waarschijnlijk eerder naar slimme aansturing gaan dan automatisch naar zoveel mogelijk batterijcapaciteit. En als daarna blijkt dat ik vrijwel iedere dag enkele kilowatturen overhoud die ik ’s avonds weer moet inkopen, wordt een thuisbatterij ineens een stuk interessanter.


Mijn conclusie

Het einde van de salderingsregeling maakt zonnepanelen niet ineens onaantrekkelijk. Het verandert vooral de waarde van het moment waarop elektriciteit wordt geproduceerd en gebruikt. Vanaf 2027 gaat het daarom steeds minder om alleen de vraag hoeveel zonnepanelen er op een dak liggen.


De interessantere vragen worden:

  • Wanneer wek ik stroom op?

  • Wanneer gebruik ik die stroom?

  • Kan ik dat gebruik verschuiven?

  • En welke opslag heb ik daarna nog nodig?


Voor het ene huishouden kan een thuisbatterij daar uitstekend bij passen. Voor het andere huishouden is slim laden van de auto, het aansturen van de warmtepomp of simpelweg het verschuiven van verbruik financieel verstandiger. Een thuisbatterij moet daarom wat mij betreft geen impulsaankoop worden omdat salderen stopt. Eerst rekenen. Dan sturen. En pas daarna opslaan.

 
 
 

Opmerkingen


bottom of page