top of page

Kenniscentrum

14 resultaten gevonden met een lege zoekopdracht

  • Klimaatadaptatie in de gebouwde omgeving: van goed idee naar serieuze randvoorwaarde

    Klimaatadaptatie was lange tijd een onderwerp dat vooral opdook in beleidsstukken, stresstesten en toekomstverkenningen. Inmiddels is dat stadium voorbij. In de gebouwde omgeving schuift klimaatadaptatie op van ambitie naar randvoorwaarde. Niet alleen omdat extreem weer vaker voorkomt, maar ook omdat de financiële, ruimtelijke en maatschappelijke gevolgen van niets doen steeds zichtbaarder worden.  Voor de woningmarkt, vastgoedontwikkeling en publieke besluitvorming is dat een relevante verschuiving. Waar verduurzaming de afgelopen jaren vooral werd gekoppeld aan energieprestatie en CO2-reductie, groeit het besef dat ook klimaatbestendigheid onderdeel moet zijn van toekomstbestendig bouwen en wonen. Denk aan hitte, wateroverlast, droogte, bodemdaling en overstromingsrisico’s. Dat zijn geen abstracte thema’s meer, maar concrete factoren die invloed hebben op investeringen, vastgoedwaarde, verzekerbaarheid en de kwaliteit van de leefomgeving.  Waarom dit onderwerp opnieuw aandacht verdient Een jaar geleden verscheen het rapport Klimaatadaptatie in een stroomversnelling , opgesteld door de werkgroep Klimaatadaptatie van het Platform voor Duurzame Financiering. De kernboodschap was toen al helder: samenleving en financiële instellingen kunnen niet wachten. Klimaatverandering raakt vastgoed, infrastructuur en woonomgevingen direct, en daarmee ook banken, verzekeraars, beleggers en overheden. Ongeveer een kwart van de balansen van Nederlandse financiële instellingen hangt samen met vastgoed. Dat maakt fysieke klimaatrisico’s direct relevant voor financiering en risicobeheer.  Sindsdien is het onderwerp verder opgeschoven. In de voortgang van de Nationale aanpak Klimaatadaptatie gebouwde omgeving is nadrukkelijk gekeken naar drie vragen: wat zijn de kosten en baten van klimaatadaptief bouwen, hoe werkt de maatlat in de praktijk, en hoe kan die juridisch beter worden geborgd. De uitkomst is relevant: de totale businesscase voor klimaatadaptieve maatregelen in de gebouwde omgeving is positief. Met andere woorden: het levert maatschappelijk en financieel meer op dan het kost, al vallen kosten en baten niet automatisch bij dezelfde partijen neer.  Dat is precies waarom klimaatadaptatie niet langer alleen een ontwerpvraag is. Het is ook een verdelingsvraag, een financieringsvraag en een sturingsvraag. De omslag: van vrijblijvend naar richtinggevend Een belangrijke ontwikkeling is de landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving. Die maatlat is ontwikkeld om eenduidig te maken wat klimaatadaptief bouwen en inrichten in de praktijk betekent. Niet als lijst met verplichte maatregelen, maar als kader met doelen, prestatie-eisen en richtlijnen voor thema’s als wateroverlast, droogte, hitte, biodiversiteit, bodemdaling en gevolgbeperking bij overstromingen. Juist daardoor ontstaat ruimte voor lokaal maatwerk én meer duidelijkheid voor marktpartijen.  Dat klinkt technisch, maar de betekenis is groot. In de praktijk worstelen gemeenten, ontwikkelaars en vastgoedeigenaren vaak met dezelfde vraag: wat mag je redelijkerwijs verwachten van klimaatbestendig bouwen? Zolang daar geen gedeeld kader voor is, blijft het onderwerp kwetsbaar in projectafwegingen. Dan wint parkeren het van vergroening, korte termijn het van lange termijn, en bouwtempo het van toekomstbestendigheid. De maatlat probeert daar een antwoord op te geven. Uit de praktijkverkenning blijkt dat betrokken partijen de maatlat waarderen omdat die zorgt voor een gedeelde taal en een gelijker speelveld. Tegelijk is ook duidelijk dat verdere concretisering nodig is en dat gemeenten behoefte hebben aan standaardteksten voor eigen beleid en omgevingsplannen.  Klimaatadaptatie is ook een financiële businesscase Een van de meest interessante inzichten uit de recente voortgang is dat klimaatadaptief bouwen niet alleen vanuit beleid of maatschappelijke verantwoordelijkheid logisch is, maar ook economisch verdedigbaar. In de verkenning naar kosten en baten is berekend dat de totale businesscase positief is. De financiële baten zijn bijna gelijk aan de totale investeringskosten, terwijl niets doen juist leidt tot hogere schade en hogere maatschappelijke kosten in de toekomst. De potentiële schade kan volgens de verkenning tot 2050 oplopen tot circa 70 miljard euro.  Dat maakt klimaatadaptatie relevanter voor financiers dan vaak wordt gedacht. Banken en verzekeraars hebben direct belang bij lagere risico’s, beter waardevast vastgoed en betere verzekerbaarheid. Tegelijk zit daar nog een knelpunt: klimaatrisico’s worden vandaag nog lang niet altijd goed ingeprijsd. Daardoor lijkt klimaatadaptief vastgoed soms duurder, terwijl het op langere termijn juist rationeler en robuuster is.  Voor de hypotheek- en vastgoedketen is dat een cruciaal punt. Zolang risico’s onvoldoende zichtbaar zijn in taxatie, acceptatie, pricing en productontwikkeling, blijft klimaatadaptatie te vaak een extra in plaats van een integraal onderdeel van de businesscase. Wat dit betekent voor de woningmarkt en het hypotheekdomein Voor iedereen die werkt op het snijvlak van wonen, financieren en vastgoedontwikkeling is klimaatadaptatie inmiddels meer dan een ruimtelijk thema. Het raakt aan de vraag hoe je woningen waardeert, hoe je risico’s uitlegt aan klanten en hoe je toekomstige betaalbaarheid en leefbaarheid meeneemt in besluitvorming. In het rapport uit 2023 wordt bijvoorbeeld gewezen op informatie-asymmetrie rond fysieke risico’s, zoals funderingsproblematiek. Als kopers, verkopers, adviseurs en financiers niet over dezelfde informatie beschikken, werkt de markt niet goed. Dat geldt breder ook voor klimaatrisico’s als hitte, wateroverlast en overstroming. Daarom is het voorstel voor een klimaatlabel voor woningen en gebouwen zo interessant: niet als administratieve extra, maar als manier om risico’s, handelingsperspectief en waardering beter bij elkaar te brengen.  Ook aan de financieringskant liggen er kansen. Het rapport benoemt dat de huidige Tijdelijke regeling hypothecair krediet vooral is gericht op klimaatmitigatie en dat verbreding met klimaatadaptatie logisch zou zijn. Daarnaast wordt gewezen op bestaande mogelijkheden zoals groenfinanciering, MIA/Vamil en sustainability linked leningen. Voor woningcorporaties, gemeenten en zakelijke vastgoedeigenaren kan dat helpen om investeringen eerder rond te rekenen.  Voor adviseurs en beleidsmakers is dat een belangrijke les: klimaatadaptatie vraagt niet alleen om normen en ambities, maar ook om slimme vertaling naar financierbaarheid, klantbediening en ketensamenwerking. Niet alles draait om nieuwbouw Klimaatadaptatie wordt nog vaak geassocieerd met nieuwbouw, maar de grootste opgave zit minstens zo goed in de bestaande gebouwde omgeving. Daar komen hitte, droogte, funderingsrisico’s, wateroverlast en een versteende openbare ruimte bij elkaar. Bovendien is juist daar de handelingsruimte vaak beperkter en zijn verantwoordelijkheden versnipperd over bewoners, corporaties, gemeenten, ontwikkelaars en financiers.  Dat maakt de opgave complexer, maar niet minder urgent. De voortgangsbrief laat zien dat vergroening financieel aantrekkelijk kan zijn, juist omdat groene maatregelen vaak meerdere doelen tegelijk dienen. Ze helpen tegen hitte, wateroverlast en leefbaarheidsproblemen, en leveren vaak meer nevenbaten op dan puur technische oplossingen.  Voor gemeenten en marktpartijen ligt hier dus geen keuze tussen “groen” of “efficiënt”, maar eerder de vraag hoe je investeringen zo organiseert dat klimaatadaptatie, leefkwaliteit en waardebehoud elkaar versterken. De volgende stap: juridische borging en standaardisatie De echte test zit de komende jaren in borging. Zolang klimaatadaptatie afhankelijk blijft van lokale ambitie of individuele projectkeuzes, blijft het tempo ongelijk en het resultaat wisselend. Daarom is het veelzeggend dat in de praktijkverkenning juridische borging door het Rijk wordt genoemd als sleutelfactor voor versnelling. Niet om innovatie dicht te regelen, maar om te zorgen dat klimaatadaptatie structureel wordt meegewogen in projecten, beleid en vergunningverlening.  Ook op standaardisatie gebeurt meer. In de voortgangsbrief wordt onder meer verwezen naar het Overleg Standaarden Klimaatadaptatie, waarin wordt gewerkt aan betere verankering van klimaatadaptatie in normen, richtlijnen en handreikingen. Dat lijkt misschien een technische stap, maar is in werkelijkheid heel praktisch: standaarden bepalen mede wat ontwerpers, bouwers, beheerders en opdrachtgevers normaal gaan vinden.  Mijn visie: klimaatadaptatie hoort thuis in de kern van het woon- en financieringsdomein Wat mij betreft is de belangrijkste conclusie dat klimaatadaptatie niet langer als apart duurzaamheidsonderwerp moet worden behandeld. Het hoort thuis in de kern van hoe we woningen ontwikkelen, financieren, taxeren, beheren en verbeteren. Voor de hypotheekmarkt betekent dat: klimaatrisico’s beter vertalen naar klantinzicht, productlogica en ketendata. Voor overheden betekent het: minder vrijblijvendheid en meer houvast in beleid en uitvoering. Voor ontwikkelaars en vastgoedeigenaren betekent het: eerder sturen op lange termijn waarde in plaats van alleen op korte termijn kosten. En voor de sector als geheel betekent het: klimaatadaptatie niet zien als rem op de woningmarkt, maar als voorwaarde voor toekomstbestendige groei. De richting is inmiddels duidelijk. De vraag is niet meer óf klimaatadaptatie onderdeel wordt van de gebouwde omgeving, maar hoe snel en hoe slim we het organiseren.

  • WLC-GWP: waarom Whole Life Carbon nu relevant wordt voor de gebouwde omgeving

    De verduurzaming van de gebouwde omgeving draait al lang niet meer alleen om energiezuinigheid. Steeds vaker verschuift de aandacht naar de totale klimaatimpact van gebouwen over hun volledige levenscyclus. In dat kader wordt WLC-GWP  — Whole Life Cycle Global Warming Potential  — een steeds belangrijkere indicator. WLC-GWP kijkt naar de totale uitstoot van broeikasgassen van een gebouw gedurende de hele levensduur. Het gaat daarbij niet alleen om emissies die samenhangen met bouwmaterialen en bouwproducten, maar ook om uitstoot door energiegebruik tijdens de gebruiksfase, onderhoud, vervanging en uiteindelijk sloop. Juist die integrale benadering maakt deze indicator relevant voor de volgende fase van verduurzaming. In Nederland is dat een belangrijke ontwikkeling. Waar de MPG  vooral stuurt op de milieuprestatie van materialen en BENG  zich richt op de energieprestatie van gebouwen, brengt WLC-GWP deze perspectieven samen in één klimaatindicator. Daarmee ontstaat een vollediger beeld van de werkelijke CO₂-impact van nieuwbouw. Binnen de Nederlandse bepalingsmethode wordt WLC-GWP uitgedrukt in kg CO₂-equivalent per m² gebruiksoppervlak per jaar , berekend over een vaste periode van 50 jaar. Dat onderscheid met MPG is wezenlijk. MPG kijkt naar meerdere milieu-impactcategorieën, terwijl WLC-GWP zich specifiek richt op broeikasgasemissies. Ook verschillen de rekeneenheid en de manier waarop de levensduur van een gebouw wordt meegenomen. WLC-GWP is daarom niet simpelweg een andere naam voor bestaande duurzaamheidsindicatoren, maar een aanvullende manier om gerichter te sturen op klimaatimpact. De relevantie van WLC-GWP neemt de komende jaren verder toe. De indicator krijgt een plek binnen wet- en regelgeving, vergunningverlening, energielabels, certificeringen, aanbestedingen en subsidies. Ook in bredere Europese kaders, zoals EU Taxonomy , Level(s)  en CSRD , wordt Whole Life Carbon steeds belangrijker. Voor ontwikkelaars, bouwers, adviseurs, financiers en beleidsmakers betekent dit dat de levenscyclusuitstoot van gebouwen steeds vaker meeweegt in keuzes, investeringen en verantwoording. Ook vanuit beleid wordt de lijn concreter. In de Nederlandse uitwerking van de EPBD  is aangekondigd dat WLC-GWP onderdeel wordt van de transitie naar emissievrije gebouwen. Uiterlijk 1 januari 2027  moet een routekaart voor WLC-GWP zijn gepubliceerd. Vanaf 2028  moet voor nieuwe grote gebouwen van meer dan 1.000 m²  een WLC-GWP-berekening worden ingediend en op het energielabel worden vermeld. Vanaf 2030  moeten alle nieuwe labelplichtige gebouwen voldoen aan de dan geldende eisen voor emissies over de gehele levenscyclus. Tegelijkertijd is de methodiek nog volop in ontwikkeling. Er zijn nog inhoudelijke discussies over onderwerpen zoals module D , de waardering van biobased materialen , de omgang met energiedragers  en de toepassing op bestaande bouw . Juist daarom is dit het moment om kennis op te bouwen. Organisaties die nu al begrijpen hoe WLC-GWP werkt, zijn beter voorbereid op toekomstige regelgeving én op de strategische keuzes die daarbij horen. WLC-GWP is daarmee meer dan een technische rekenmethode. Het is een nieuwe manier om naar duurzaamheid in de gebouwde omgeving te kijken: integraal, levenscyclusgericht en steeds directer verbonden aan beleid, financiering en marktstandaarden. Voor partijen die actief zijn in de gebouwde omgeving is het daarom verstandig om Whole Life Carbon nu al serieus mee te nemen in hun strategie en besluitvorming.

  • AFM Consumentenmonitor Q4 2025: verduurzaming gebeurt – maar vooral met spaargeld

    Wat dit betekent voor hypotheekadvies, geldverstrekkers en de volgende stap: financiering en subsidies ‘in het gesprek’ krijgen. De AFM publiceerde op 24 februari 2026 de Consumentenmonitor Hypotheekbezitters (veldwerk oktober 2025). De uitkomst is dubbel: woningeigenaren verduurzamen steeds vaker, maar betalen dat meestal uit eigen zak. Dat is een gemiste kans, want juist financierings- en subsidiemogelijkheden kunnen de drempel verlagen voor de groep die wel wil, maar het niet haalbaar denkt te maken. De belangrijkste inzichten Vier op de tien hypotheekbezitters heeft het afgelopen jaar de woning (verder) verduurzaamd. Wie verduurzaamt, financiert dit vooral met spaargeld: ruim 8 op de 10 betaalt volledig uit eigen middelen. Een groeiende groep financiert ‘op een andere manier’ (bijv. gemeentelijke subsidie, VvE-financiering, Warmtefonds of persoonlijke lening). Ruim 1 op de 10 verduurzamers sloot een extra hypotheek af voor de financiering – vrijwel altijd met advies (11% met advies versus 1% zonder). Gebruik van de ISDE-subsidie stijgt (van 10% in 2023 naar 15% in 2025), terwijl het gebruik van andere initiatieven beperkt blijft (Warmtefonds rond 7%). Het aantal consumenten dat ooit proactief is benaderd door adviseur of verstrekker is bijna verdubbeld (van 1 op de 20 in 2022 naar bijna 1 op de 10 in 2025), maar blijft nog bescheiden. Mijn duiding: ‘bekendheid’ groeit, maar ‘toepassing’ blijft achter De trend is positief: meer mensen kennen financierings- en subsidieregelingen. Maar in de praktijk blijkt het nog lastig om die regelingen te vertalen naar een concreet besluit: “Wat kan ik doen, wat kost het, wat levert het op, en hoe regel ik het zonder gedoe?” Als het antwoord niet snel en betrouwbaar in beeld komt, wint spaargeld (of uitstel) het bijna altijd. In mijn opdrachten bij geldverstrekkers en (keten)partijen werk ik precies aan dit knelpunt: verduurzaming onderdeel maken van het normale hypotheekproces – met brondata, slimme berekeningen en tooling die adviseurs en klanten helpt om opties te vergelijken en meteen te zien welke financieringsroutes en subsidies passen. De AFM-cijfers bevestigen wat ik in de praktijk zie: als je de ‘financiële haalbaarheid’ en de ‘route naar uitvoering’ niet eenvoudig maakt, blijft verduurzaming een goed voornemen. En dat geldt zowel bij aankoop (transactiemoment) als bij bestaande woningeigenaren. Wat adviseurs, geldverstrekkers en ketenpartners hier morgen al mee kunnen Maak financieringsopties standaard onderdeel van het gesprek. Niet als ‘extra onderwerp’, maar als keuzehulp: spaargeld, meefinancieren in de hypotheek, consumptief krediet, Warmtefonds, VvE, gemeentelijke/landelijke subsidies. Werk met een simpele budgetneutrale check. Laat direct zien wanneer de maandlast (financiering) gelijk of lager kan uitvallen door energiebesparing. Dat maakt ‘haalbaarheid’ tastbaar. Automatiseer de ‘subsidie- en regelingencheck’. Niet elke adviseur kan elke regeling paraat hebben. Koppel een actuele regelingenlaag aan klant- en woningdata zodat het advies sneller en consistenter wordt. Stuur op proactieve service (maar wél AFM-proof). De AFM ziet ruimte voor proactiever informeren. Door klanten gericht te benaderen op relevante momenten (renteherziening, verbouwing, verhuizing, labelstap) wordt het gesprek normaler. Sluit de uitvoering aan op het advies. Veel klanten haken af door ‘regelwerk’. Een duidelijke route (offerte, financiering, subsidie-aanvraag, uitvoering) verhoogt conversie – en verlaagt faalkosten. Wil je dit vertalen naar jouw klantreis of hypotheekplatform? Ik help geldverstrekkers, adviesketens en softwarepartijen om verduurzaming werkbaar te maken in het advies- en acceptatieproces: van brondata en berekeningen tot integratie in tooling. Stuur me een bericht, dan kijken we samen waar in jouw proces de grootste ‘frictie’ zit en hoe je die oplost. Bronnen ·       AFM (24-02-2026). ‘Meer woningeigenaren bekend met financierings- en subsidiemogelijkheden voor woningverduurzaming’ ( persbericht ). ·       AFM (2026). Consumentenmonitor Hypotheekbezitters Q4 2025 ( rapport, veldwerk oktober 2025 ).

  • ABN AMRO start “Beter Wonen”: verduurzamen zonder hogere maandlasten

    ABN AMRO kondigde onlangs de pilot Beter Wonen  aan: woningeigenaren worden actief geholpen om hun woning te verduurzamen zonder dat de maandlasten stijgen . TNO publiceerde daarop een verdiepend stuk waarin ze uitleggen waarom dit in veel gevallen financieel kan kloppen, mits je het goed organiseert (advies, uitvoering én financiering).  De kern is simpel: kijk niet alleen naar “wat kost het?”, maar naar woonlasten . Wat betekent “budgetneutraal” in normale mensentaal? Budgetneutraal verduurzamen betekent: extra maandlast (financiering) ≤ maandelijkse besparing op energie. En als je daarbij ook nog subsidies  en (waar van toepassing) gunstige leningen meeneemt, wordt de kans groter dat de rekensom klopt.  Waarom lukt dit bij veel woningen wél? Omdat maatregelen vaak twee dingen tegelijk doen: Energieverbruik omlaag  (direct effect op je rekening) Comfort omhoog  (minder tocht, stabielere temperatuur, stiller huis) En precies dát is wat Beter Wonen probeert te “ontzorgen”: niet alleen een lening, maar ook het plan, de subsidie-afhandeling en de uitvoering met partners.  De 3 voorwaarden om het écht budgetneutraal te krijgen In onze praktijk zien we dat het vooral afhangt van drie punten: 1) De juiste volgorde Eerst isoleren/ventilatie op orde, dán installatie (warmtepomp/hybride). Anders betaal je vaak te veel voor vermogen dat je niet nodig hebt. 2) Realistische aannames Besparing verschilt per woning, gedrag en energieprijs. Een goede berekening werkt met bandbreedtes (conservatief / verwacht / optimistisch). 3) Financiering die past bij jouw situatie Korte looptijd kan je maandlast onnodig hoog maken. Een passende looptijd en productkeuze is vaak het verschil tussen “net niet” en “prima te doen”. Waarom dit onderwerp nu extra relevant is Beter Wonen laat iets belangrijks zien: budgetneutraal verduurzamen is niet alleen een rekensom, het is een klantreis . Als je het “gedoe” wegneemt en de uitkomst betrouwbaar maakt, gaan meer mensen het ook écht doen.  Wil je weten wat in jouw woning budgetneutraal kan? Wij maken budget neutrale verduurzaming berekeningen  die precies dat inzicht geven: welke maatregelen passen bij jouw woningtype wat het doet met je maandlast én energierekening welke subsidies/regelingen relevant zijn en wat de meest logische volgorde is Probeer het hier , v ul je postcode + huisnummer  in dan laat ik je zien welke verduurzamingsstap voor jou het meest kansrijk is om zonder hogere woonlasten  te starten. Bron (TNO):

  • Samen maken we verduurzaming toegankelijker

    Introductie Verduurzamingstoolbox tijdens InFinance Talkshow Kansen & Visies – vrijdag 27 februari 2026 Verduurzaming is niet meer weg te denken uit het hypotheekadvies. En toch hoor ik in de praktijk nog elke week hetzelfde: de informatie is versnipperd , regelingen veranderen, tools sluiten niet goed op elkaar aan en het is daardoor lastig om verduurzaming echt goed en efficiënt mee te nemen in het adviesgesprek . Juist daarom vind ik het waardevol dat we op vrijdag 27 februari 2026  in de InFinance Talkshow Kansen & Visies  het gesprek voeren over een belangrijk kantelpunt: hoe maken we verduurzaming structureel toegankelijker voor adviseurs én consumenten?  Tijdens de talkshow introduceren we de Verduurzamingstoolbox  en brengen we beleid, praktijk en ketenpartijen  bij elkaar om te bespreken waar we nu staan, wat beter kan en wat er nodig is om echt schaal te maken. Waarom een Verduurzamingstoolbox? De hypotheekadviseur krijgt steeds vaker vragen over isolatie, warmtepompen, subsidies, energielabels en financieringsmogelijkheden. Tegelijkertijd is het moeilijk om in het adviesproces: snel de juiste informatie te vinden, te bepalen wat relevant is voor de klant, én het vervolgens goed te borgen richting dossier en vervolgproces. De Verduurzamingstoolbox  is bedoeld om die kloof te dichten: minder zoeken, meer toepassen . Niet als extra “losse tool”, maar als praktische ondersteuning die aansluit op de adviespraktijk. Talkshow: beleid, keten en adviespraktijk aan één tafel In de talkshow gaan Alex Klein  en Dominique van de Heide Wijma  in gesprek met een sterke mix van mensen die ieder een ander deel van de puzzel vertegenwoordigen: Jennifer op ’t Hoog  – Directeur HDN Over ketensamenwerking en standaarden: wat is er nodig om verduurzaming echt goed in processen en systemen te laten landen? Anneke van Kempen  – Beleidsmedewerker Energiebeleid Gebouwde Omgeving, ministerie van VRO Over de beleidskant: welke richting wordt ingezet en hoe zorgen we dat het in de praktijk werkbaar blijft? Maaike Verhoef  – Eigenaar & adviseur, Advies met M.I.N.T. Over de werkelijkheid aan tafel: wat werkt wel, wat werkt niet, en waar lopen adviseurs dagelijks tegenaan? Frank Heuts  – Senior Marketeer, Obvion Hypotheken Over de rol van geldverstrekkers: hoe sluit je aan op klantbehoeften en hoe maak je verduurzaming onderdeel van de dienstverlening? De kernvraag: wat moet er beter? Wat mij betreft draait het om drie verbeterpunten die steeds terugkomen: Eén begrijpelijk verhaal voor klant én adviseur Geen versnippering in bronnen, maar consistente informatie en logica. Toepasbaarheid in het adviesgesprek Verduurzaming moet niet “erbij” komen, maar inpasbaar  zijn in het bestaande proces. Slimme inzet van data en tooling Niet meer handmatig puzzelen, maar ondersteuning met brondata en ketenafspraken die het werk juist lichter maken. Volg de talkshow Wil je weten hoe de Duurzaamheidstoolbox eruitziet, welke richting partijen kiezen en waar de kansen liggen voor adviseurs? Kijk dan mee met de InFinance Talkshow Kansen & Visies  op vrijdag 27 februari 2026

  • Verduurzaming binnen AFM-kaders: zo maak je het werkbaar in het hypotheekadvies (SEHkie 2026)

    Verduurzaming is inmiddels een vast onderwerp aan de adviestafel. Toch hoor ik nog vaak hetzelfde van hypotheekadviseurs: de informatie is versnipperd, verandert continu en is lastig om “goed” te verwerken in het advies én het dossier . En precies daar zit de spanning: je wilt klanten vooruithelpen met concrete opties, maar je wilt ook netjes werken binnen de AFM-kaders voor inventarisatie, advies en dossiervorming . Daarom geef ik tijdens SEH Kennis & Innovatie Event 2026 (SEHkie 2026)  een masterclass: “Verduurzaming in lijn met AFM-kaders: zo maak je het werkbaar in het hypotheekadvies.” Ik doe dit samen met Mieke Pels , Beleidsmedewerker Energietransitie Gebouwde Omgeving bij het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) . Vanuit VRO en HDN brengen we beleid, praktijk en ketenlogica bij elkaar — met één doel: verduurzaming praktisch en uitvoerbaar maken voor adviseurs . Wat je uit de masterclass haalt In de sessie zoomen we in op drie dingen waar het in de praktijk vaak misgaat (of onnodig ingewikkeld wordt): Wat vraagt verduurzaming van je adviesproces? Welke informatie heb je écht nodig in de inventarisatie, hoe verwerk je dit in je advies, en hoe zorg je dat de onderbouwing klopt in het dossier? Data en tooling als versneller (in plaats van extra werk) Welke rol kunnen data en slimme tooling spelen om het adviesgesprek juist eenvoudiger te maken — en niet zwaarder? Van inzicht naar implementatie in software en standaarden We delen concrete aanknopingspunten  voor implementatie richting hypotheekadviesoftware  en ketenstandaarden  (waar HDN een belangrijke rol speelt).

  • Expert review: NVM laat zien waarom “budgetneutraal verduurzamen” nu schaalbaar wordt

    In deze NVM/brainbay-publicatie Duurzaam Wonen  (december 2025) wordt verduurzaming eindelijk neergezet zoals het in de praktijk werkt: niet als morele keuze, maar als een financieel-rationele stap die waarde, comfort en betaalbaarheid samenbrengt.  Wat mij als expert direct opvalt Energielabel is hard geld geworden.  NVM/brainbay becijfert dat een woning met label A gemiddeld circa €74.000  meer waard is dan een vergelijkbare woning met label G (ongeveer 17%  verschil), puur op energieprestatie.  Verduurzamen betaalt zich meestal dubbel terug via woningwaarde.  Op basis van 30.000 adviezen: isolatie levert gemiddeld een terugverdienfactor van 2,2 ; isolatie + installaties gemiddeld 1,9 . En in 87%  (isolatie) tot 91%  (combi) is de waardestijging groter dan de kosten—zelfs zónder subsidies in de berekening.  De echte bottleneck is niet techniek, maar “houvast”.  Labels zijn vaak verouderd, veel mensen handelen pas als de businesscase klopt, en kwetsbare groepen (lager inkomen, ouderen, VvE’s) lopen tegen drempels aan. Dat staat haaks op de marktdruk die NVM laat zien: kopers letten steeds meer op totale maandlasten (hypotheek + energie).  Waarom dit één-op-één aansluit op de Verduurzamingstoolbox De NVM introduceert met de Verduurzamingsscan  een richting die ik al langer zie als “de missing link”: direct na bezichtiging een concreet scenario-overzicht  met maatregelen, kosten, energiebesparing, labelstap én verwachte waardestijging.  Dat is precies wat je nodig hebt om verduurzaming in het hypotheekproces  te krijgen: snel, vergelijkbaar, herhaalbaar en onderbouwd. Alleen: zolang dit soort inzichten “naast” het hypotheekadvies staan (pdf’s, losse tools, handwerk), schaal je niet. Je moet het in  de klantreis en in  de advies- en acceptatie systemen bouwen. De oplossing die hier logisch uit volgt Wat je nu kunt realiseren (en waar de Verduurzamingstoolbox voor bedoeld is), is een gestandaardiseerde set berekeningen en services die: Scenario’s doorrekent op maandlasten i.p.v. losse maatregelen Hypotheeklast (incl. energiebespaarbudget/bouwdepot) + energielast = nieuwe maandlast Doel: budgetneutraal  of aantoonbaar “betaalbaar” (met bandbreedtes en aannames transparant) Label- en waarde effecten meeneemt als onderdeel van de businesscase Niet alleen “besparing”, maar ook onderpandwaarde / risico  en dus relevant voor geldverstrekkers NVM-data laat zien dat de markt dit al prijst; dus je wil dit ook in je advieslogica hebben.  Subsidies en lokale regelingen automatisch toepast Omdat het rapport expliciet benoemt dat juist doelgroepen met minder ruimte achterblijven, moet je drempels verlagen met automatische regeltoepassing  en “wat kan ik nu doen?”-advies.  Eén standaard voor meerdere adviespakketten Zodat adviseurs niet per pakket een andere uitkomst krijgen En je ketenpartners (banken, intermediairs, gemeenten) dezelfde waarheid laten gebruiken Mijn advies aan lezers Lees dit rapport niet als “weer een duurzaamheidsstuk”, maar als bewijs dat verduurzaming inmiddels marktlogica  is. Wie dit slim integreert in software en processen, maakt verduurzaming: sneller bespreekbaar (minder zoektijd, meer zekerheid), beter financierbaar (maandlastgedreven), en beter opschaalbaar (standaard scenario’s + brondata).  Als je dit interessant vindt voor jouw organisatie: de stap is nu om van losse tools naar ketenklare services  te gaan—precies het gat dat de Verduurzamingstoolbox kan vullen.

  • Kabinetsreactie op het advies "De Olifant onder de Kamer" over funderingsproblematiek

    In deze kamerbrief (4 juli 2025) reageert het kabinet op het advies “De Olifant onder de kamer”  over de snel groeiende funderingsproblematiek.  De kern: funderingsschade raakt steeds meer woningen, met grote financiële én sociale impact, en vraagt een langjarige aanpak  met samenwerking tussen Rijk, medeoverheden en marktpartijen (banken, verzekeraars, bouwsector).  Het kabinet kiest voor een nationale aanpak  met drie sporen: (1) de randvoorwaarden organiseren, (2) individuele woningeigenaren ondersteunen en (3) een gebiedsgerichte aanpak ondersteunen waar problemen zich opstapelen. Een belangrijk onderdeel is het opbouwen van betrouwbare data en risicomodellen  en uiteindelijk één publieke informatievoorziening met funderingsinformatie, met regie op kwaliteit en standaardisatie. Ook wil het kabinet dat funderingsinformatie vroeg in het woningtransactieproces  beschikbaar komt: idealiter al bij verkoop/advertentie, zodat kopers het kunnen meewegen vóórdat ze bieden. Daarom gaat het Rijk met marktpartijen (o.a. kredietverstrekkers) werken aan een standaard  voor risico-inschatting, aanvullend onderzoek en gevolgen voor kredietverstrekking. Financieel is er voor 2025–2028 €56 miljoen  beschikbaar voor de aanpak, plus €20 miljoen  extra storting in 2026 voor het Fonds Duurzaam Funderingsherstel . Dat fonds heeft sinds 1 juli 2025 landelijke werking  en ondersteunt eigenaren die financiering niet rond krijgen via de reguliere hypotheekmarkt. Tot slot start het kabinet met een gebiedsgerichte “leeraanpak”  in o.a. Friesland, Emmen, Rivierenland, Zaanstad, Rotterdam en Dordrecht om kennis en interventies sneller te ontwikkelen en te delen.

  • De Olifant onder de kamer

    Een nationale aanpak funderingsproblematiek vanuit drie benaderingen De olifant onder de kamer: funderingsrisico hoort óók in de verduurzamingstoolbox Bij verduurzaming kijken we terecht naar isolatie, installaties en subsidies, maar er is nog een factor die vaak te laat wordt meegenomen: funderingsrisico . Het rapport “De Olifant onder de kamer”  laat zien dat funderingsproblematiek een groeiend thema is en grote financiële impact kan hebben voor kopers. Funderingsschade hangt bovendien steeds vaker samen met veranderend klimaat : langdurige droogte  kan grondwaterstanden verlagen en daarmee het risico vergroten, terwijl extreme neerslag  en wateroverlast ook funderingen kan aantasten. Daarom past funderingsinformatie logisch in de verduurzamingstoolbox : het is niet alleen een financieel/technisch thema, maar óók klimaatadaptatie . Als de fundering onzeker is, beïnvloedt dat de waarde en financierbaarheid, maar ook hoeveel ruimte er nog is voor verduurzamingsinvesteringen. Het doel is niet om kopers af te schrikken, maar om eerder realistische keuzes te kunnen maken. Cruciaal is dat deze data niet pas bij taxatie of keuring opduikt, maar zo vroeg mogelijk in het proces beschikbaar is. Wat mij betreft hoort dat dus niet alleen bij de hypotheekadviseur, maar óók bij de makelaar, in de woningpresentatie of dataroom. Dan kan een koper het risico meewegen in bod, financiering en planning van maatregelen. Zo ontstaat een vollediger beeld van “wat kan wél, wat kan later, en wat vraagt eerst aandacht” — en voorkom je verrassingen achteraf.

  • Waarom de EU Taxonomie vastloopt in vastgoed

    De ambities zijn helder: een duurzame gebouwde omgeving. Toch worstelen banken met de Green Asset Ratio (GAR). Uit een gezamenlijke analyse van de EEM NL Hub en het Duitse VDP blijkt dat de regels vaak te complex zijn voor de praktijk. ​ Knelpunt: Theorie vs. Praktijk De criteria van de EU Taxonomie sluiten niet goed aan bij nationale wetgeving zoals de EPBD. Hierdoor kunnen veel duurzame woningen niet als 'groen' worden gerapporteerd, wat de financiering remt.   De Oplossingen Harmonisatie: Laat nationale NZEB-definities leidend zijn voor de 'Top 15%'. Vereenvoudiging: Accepteer standaard labelstappen in plaats van complexe PED-berekeningen voor renovaties. Data toegang: Creëer een wettelijke basis (National Access Point) zodat banken GDPR-proof bij EPC-data kunnen.

  • Verduurzaming dient integraal in adviessoftware te komen volgens AFM, NHG en KPMG.

    Gezamenlijke conclusie (NHG + AFM + KPMG): ​ Alle drie bronnen wijzen dezelfde richting op: verduurzaming moet onderdeel worden van de standaard adviesworkflow. De noodzaak zit niet alleen in ‘maatschappelijke ambitie’, maar ook in uitvoerbaarheid (tijd/complexiteit) en verwachtingen aan het adviesproces. Daarom is een integratie met een ketenservice logisch: consistente data/regels/logica, herbruikbaar voor alle pakketten, met rapportage-output voor het dossier.   Roadmap adviespakketten: ​ NHG benoemt expliciet dat ‘verduurzaming volledig in de adviessoftware’ verankerd moet worden en dat versnippering via losse tools een knelpunt is. De AFM geeft aan dat verduurzaming in het adviestraject besproken hoort te worden (o.a. energielabel, leenruimte, productkeuze en financieringsopties). KPMG onderbouwt dat tijdsdruk en complexiteit structurele integratie belemmeren en dat praktische tools en gesprekshulpen tijd besparen en consistentie brengen.

  • Inkomenseffecten van woningverduurzaming

    Centraal Planbureau, TNO, Planbureau voor de Leefomgeving  Verduurzamen loont vaak, maar vooral als de woning “past” bij de maatregel. In deze studie blijken woningkenmerken (zoals oppervlakte , bouwperiode  en stookgedrag ) veel bepalender voor de financiële uitkomst dan inkomen. All-electric (elektrische warmtepomp + vergaande isolatie)  is met het huidige beleid voor meer dan de helft van woningeigenaren  en bijna de helft van particuliere huurders  financieel gunstig. Voor circa 40%  is dit zelfs de beste  optie. Het werkt vooral goed bij kleinere woningen , omdat isoleren daar relatief minder kost. Bij corporatiewoningen  maakt “ gratis isolatie ” all-electric voor vrijwel alle zittende huurders de meest aantrekkelijke keuze. Waar isoleren tot de isolatiestandaard niet rendabel is, is alleen een hybride warmtepomp  vaak wél interessant: voor bijna driekwart van alle huishoudens  is dit financieel gunstig, en voor ongeveer 40% van woningeigenaren en particuliere huurders  de beste optie. Dit geldt met name voor grotere woningen , waar isoleren duurder uitvalt. Keerzijde: wie al een hybride warmtepomp heeft, voelt vaak minder prikkel  om daarna nog vergaand na te isoleren. Het stimuleringsbeleid  is cruciaal: zonder  beleid is “niets doen” voor meer dan de helft  financieel gunstiger; met  beleid geldt dat nog maar voor 10% . Tegelijk zegt een positieve businesscase niet automatisch dat mensen het ook doen: financieringsbeperkingen, gedoe/overlast en andere prioriteiten zijn niet meegenomen. Ook zijn comfort, gezondheid en woningwaardestijging niet expliciet doorgerekend. Tot slot geeft de studie een statisch  beeld: in de praktijk verloopt verduurzaming geleidelijk , mede door schaarste aan arbeid/materialen en beperkingen op het elektriciteitsnet. De analyse kijkt alleen naar het huishoudperspectief , niet naar maatschappelijke kosten en baten.

bottom of page