top of page

Kenniscentrum

26 resultaten gevonden met een lege zoekopdracht

  • Van isolatieoffensief naar uitvoering: waarom de verduurzamingsreis eenvoudiger moet

    De Kamerbrief over het Nationaal Isolatieoffensief en het Energiehuis laat opnieuw zien hoe groot de verduurzamingsopgave in de gebouwde omgeving is. Het kabinet wil woningen sneller en efficiënter isoleren, met extra aandacht voor huishoudens met lage inkomens en slecht geïsoleerde woningen. Daarvoor is in de Voorjaarsnota €300 miljoen extra beschikbaar gesteld, naast bestaande regelingen zoals de ISDE, lokale subsidies, het Nationaal Warmtefonds en ondersteuning via gemeenten. De richting is duidelijk: isolatie moet niet langer iets zijn waar een woningeigenaar zelf zijn weg in moet vinden. Het moet onderdeel worden van een herkenbare, begrijpelijke en uitvoerbare klantreis. Het probleem is niet alleen geld, maar vooral complexiteit In de brief wordt scherp benoemd waar het in de praktijk vaak misgaat. Er zijn veel subsidies, leningen, regelingen, adviezen en uitvoerende partijen, maar voor bewoners is het aanbod versnipperd en ondoorzichtig. Mensen weten vaak niet waar ze moeten beginnen. Daardoor blijft verduurzaming hangen in goede bedoelingen, terwijl er financieel soms veel meer mogelijk is dan men denkt. Dat herken ik sterk uit de praktijk. In gesprekken met banken, gemeenten, hypotheekadviseurs en softwarepartijen zie ik steeds hetzelfde patroon: de regelingen zijn er wel, maar ze komen niet op het juiste moment samen. Een woningeigenaar krijgt informatie over maatregelen, daarna misschien iets over subsidies, later iets over financiering en soms pas helemaal aan het eind inzicht in maandlasten en besparing. Juist daar zit de vertraging. Het Energiehuis als één herkenbaar startpunt Het aangekondigde Energiehuis moet het centrale en herkenbare punt worden waar bewoners en bedrijven terechtkunnen voor betrouwbare informatie, praktische ondersteuning en ontzorging. Het Energiehuis is daarmee de Nederlandse invulling van de Europese verplichting uit de EPBD IV om een one-stop-shop-systeem in te richten voor ondersteuning bij verduurzaming van gebouwen. Dat is een belangrijke ontwikkeling. Niet omdat er weer een nieuw loket bijkomt, maar omdat het Energiehuis de bestaande initiatieven juist beter aan elkaar moet verbinden. Het gaat om één samenhangende verduurzamingsreis: van oriëntatie naar advies, uitvoering, financiering en nazorg. Daarmee verschuift de opgave van informeren naar organiseren. De financiële sector krijgt een duidelijke rol Interessant is dat de Kamerbrief nadrukkelijk verwijst naar de samenwerking met de financiële sector, hypotheekadviseurs, hypotheekverstrekkers, makelaars, taxateurs, energieadviseurs en overheidspartijen. De koopketen wordt gezien als een logisch moment om bewoners te helpen begrijpen wat er nodig is om hun woning te isoleren en welke financieringsmogelijkheden daarbij passen. Dat is precies waar veel potentie zit. Bij aankoop, hypotheekadvies of een contactmoment met de bank is er al aandacht voor de woning, de maandlasten en de financiële ruimte van de klant. Als verduurzaming daar logisch in wordt meegenomen, wordt het geen los thema meer, maar onderdeel van normaal financieel advies. Waarom de HDN Verduurzamingstoolbox hierin relevant is In de Kamerbrief wordt ook verwezen naar de ontwikkeling van software die landelijke en lokale subsidies samenbrengt met financieringsvormen van het Nationaal Warmtefonds, SVn en hypotheekaanbieders. Dit is een expliciete verwijzing naar de HDN Verduurzamingstoolbox De HDN Verduurzamingstoolbox kan helpen om deze complexe werkelijkheid praktisch toepasbaar te maken in de keten. Denk aan het ontsluiten en combineren van: Landelijke subsidies zoals ISDE; Lokale subsidies en gemeentelijke regelingen; Het Nationaal Warmtefonds; SVn-leningen; Hypotheekmogelijkheden; Energielabeldata; Effect op maandlasten en mogelijke besparingen. De kracht zit niet alleen in de data zelf, maar vooral in de standaardisatie. Als hypotheekadviseurs, geldverstrekkers, gemeenten en andere partijen op dezelfde manier toegang krijgen tot betrouwbare verduurzamingsdata, wordt het eenvoudiger om bewoners op het juiste moment een concreet handelingsperspectief te geven. Niet: “U kunt misschien verduurzamen.” Maar: “Voor deze woning zijn dit de maatregelen, dit zijn de subsidies, dit zijn de financieringsopties en dit betekent het ongeveer voor uw maandlast.” Van investering naar maandlast Een belangrijk aandachtspunt blijft dat verduurzaming voor veel huishoudens nog voelt als een grote investering. Terwijl het gesprek eigenlijk vaker zou moeten gaan over de netto maandlast. Zeker bij isolatiemaatregelen, subsidies, een 0%-lening via het Warmtefonds of een passende hypotheekoplossing kan verduurzaming in veel situaties veel haalbaarder zijn dan mensen vooraf denken. Daarom is het belangrijk dat tools niet alleen laten zien welke maatregelen technisch verstandig zijn, maar ook wat de financiële consequenties zijn. De combinatie van investering, subsidie, financiering, energiebesparing en eventueel hypotheekvoordeel bepaalt uiteindelijk of iemand in beweging komt. Standaardisatie is randvoorwaarde voor opschaling Het isolatieoffensief zet nadrukkelijk in op standaardisatie, betere regie en samenwerking. Dat is terecht. Zonder standaardisatie blijft elke partij zijn eigen berekening, eigen klantreis en eigen interpretatie gebruiken. Dat leidt tot dubbel werk, hogere kosten en onduidelijkheid voor bewoners. De volgende stap is daarom niet alleen méér regelingen of méér communicatie. De volgende stap is een betere digitale infrastructuur waarin beleid, data, advies en financiering logisch samenkomen. De HDN Verduurzamingstoolbox kan daarin een belangrijke schakel zijn. Niet als vervanging van het Energiehuis, gemeenten of marktpartijen, maar als gestandaardiseerde datalaag die helpt om verduurzaming werkbaar te maken in de dagelijkse praktijk van hypotheekadvies, bancaire klantbediening en gemeentelijke ondersteuning. Conclusie Het Nationaal Isolatieoffensief en het Energiehuis laten zien dat verduurzaming steeds minder een losse beleidsopgave is. Het wordt een uitvoeringsvraagstuk waarin bewoners duidelijkheid, vertrouwen en praktische hulp nodig hebben. De uitdaging is niet alleen om meer woningen te isoleren, maar om de verduurzamingsreis eenvoudiger te maken. Dat vraagt om samenwerking tussen overheid, gemeenten, financiële instellingen, adviseurs en uitvoerende partijen. En vooral om systemen die de beschikbare regelingen, data en financieringsmogelijkheden op het juiste moment bij elkaar brengen. Daar ligt de waarde van initiatieven zoals de HDN Verduurzamingstoolbox: het vertalen van complex beleid naar concrete ondersteuning in de klantreis van de woningeigenaar. Alleen dan wordt verduurzaming niet alleen wenselijk, maar ook uitvoerbaar.

  • ETS2 maakt verduurzaming financieel urgenter voor woningeigenaren

    Vanaf 2028 krijgen Nederlandse huishoudens indirect te maken met een nieuwe Europese CO₂-prijs op fossiele brandstoffen. Dit systeem heet ETS2: het nieuwe Europese emissiehandelssysteem voor onder meer aardgas, benzine en diesel. Dat klinkt technisch, maar de impact is heel concreet. De prijs van aardgas, benzine en diesel zal hierdoor stijgen. Leveranciers moeten betalen voor de CO₂-uitstoot van fossiele brandstoffen en zullen deze kosten naar verwachting doorberekenen aan consumenten. Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving kunnen typische Nederlandse huishoudens in 2030 te maken krijgen met €10 tot €70 extra kosten per maand door hogere brandstofkosten. Na 2030 kunnen deze kosten verder oplopen als het prijsmechanisme verandert. Wie veel gas verbruikt, wordt harder geraakt De impact van ETS2 is niet voor ieder huishouden gelijk. Huishoudens in een goed geïsoleerde woning hebben minder aardgas nodig en zijn daardoor minder kwetsbaar voor hogere gasprijzen. Huishoudens in een slecht geïsoleerde woning worden juist harder geraakt. Daarmee wordt verduurzaming steeds minder een abstract klimaatdoel en steeds meer een financieel vraagstuk. Wie niet isoleert, blijft afhankelijk van fossiele energie en loopt het risico dat de maandelijkse energielasten verder stijgen. Dat beeld kwam ook terug in de berichtgeving van het AD: vooral bewoners van slecht geïsoleerde woningen krijgen door de nieuwe CO₂-heffing een sterke prikkel om te isoleren. Het probleem is dat juist niet ieder huishouden dezelfde mogelijkheden heeft om te reageren. Sommige woningeigenaren kunnen investeren in isolatie, glas of een warmtepomp. Andere huishoudens hebben minder financiële ruimte, wonen in een complexere woning of weten simpelweg niet welke maatregelen verstandig en betaalbaar zijn. PBL waarschuwt daarom dat ETS2 het risico op energie- en vervoersarmoede kan vergroten. Niet alleen de kosten verschillen per huishouden, maar ook het vermogen om maatregelen te nemen en extra kosten op te vangen. Verduurzaming is de structurele oplossing, maar dan moet het wel haalbaar worden De maatschappelijke discussie gaat vaak over compensatie. Dat is begrijpelijk, zeker voor huishoudens die de hogere energielasten niet kunnen dragen. Maar compensatie lost het onderliggende probleem niet op: de afhankelijkheid van fossiele energie. Olof van der Gaag, voorzitter van de NVDE, benoemt in zijn reactie op het PBL-rapport dat verduurzaming de beste en meest structurele oplossing is voor een betaalbare energierekening. Hij wijst daarbij ook op de mogelijkheid van gerichte inkomensondersteuning en een lagere energiebelasting op elektriciteit. Dat raakt precies de kern. We moeten huishoudens niet alleen vertellen dát ze moeten verduurzamen. We moeten ze vooral helpen begrijpen hoe ze dat betaalbaar kunnen doen. Van investering naar maandlast Veel woningeigenaren haken af zodra verduurzaming wordt gepresenteerd als een investering van bijvoorbeeld €15.000, €25.000 of meer. Dat bedrag voelt groot en onzeker. Maar dat is niet het hele verhaal. Een goede financiële verduurzamingsberekening kijkt niet alleen naar de bruto investering, maar ook naar: ISDE-subsidie; lokale subsidies; energiebesparing; mogelijke hypotheekvoordelen; Warmtefonds; SVN-leningen; hypotheekfinanciering; de impact op maandlasten. Pas als je deze onderdelen samenbrengt, ontstaat een eerlijker beeld. Dan wordt duidelijk wat verduurzaming netto per maand betekent. In veel situaties, zeker bij isolatie en warmtepompen, kan verduurzaming financieel veel haalbaarder zijn dan mensen vooraf denken. Daarom is de vraag niet alleen: welke maatregelen zijn technisch verstandig? De betere vraag is: welke maatregelen zijn financieel haalbaar en helpen om toekomstige woonlasten te beperken? ETS2 vraagt om betere klantreizen ETS2 maakt duidelijk dat verduurzaming een vast onderdeel moet worden van hypotheekadvies, gemeentelijke dienstverlening en klantcontact door geldverstrekkers en verduurzamingspartijen. Bij aankoop van een woning moet een koper niet alleen weten wat hij kan lenen, maar ook wat de woning straks kost aan energie en welke verduurzamingsmaatregelen financieel slim zijn. Bij bestaande hypotheekklanten kunnen geldverstrekkers veel gerichter kijken welke huishoudens het meeste risico lopen op stijgende energielasten. Gemeenten kunnen inwoners beter helpen als zij weten welke subsidies, leningen en maatregelen op adresniveau relevant zijn. Daarvoor is data nodig. Niet als los rapport of algemene rekentool, maar geïntegreerd in de software en klantreizen waar adviseurs en klanten al mee werken. Van urgentie naar handelingsperspectief ETS2 is een prijsprikkel. Maar een prijsprikkel werkt alleen goed als huishoudens ook handelingsperspectief hebben. Dat betekent dat woningeigenaren snel antwoord moeten krijgen op vragen als: Welke maatregelen passen bij mijn woning? Wat kost dit bruto en netto? Welke subsidies kan ik krijgen? Welke financiering past bij mijn situatie? Wat bespaar ik per maand? Wat betekent dit voor mijn hypotheek of energielabel? Kan verduurzaming budgetneutraal worden uitgevoerd? Zonder dit inzicht blijft verduurzaming te vaak hangen in goede bedoelingen. Met het juiste maandlasteninzicht ontstaat juist beweging. De rol van de Verduurzamingstoolbox Met de Verduurzamingstoolbox werk ik aan API’s die deze inzichten samenbrengen. Denk aan data over subsidies, financiering, energiebesparing, maatregelen, woningkenmerken en maandlasten. Het doel is om verduurzaming niet alleen technisch, maar ook financieel begrijpelijk te maken binnen bestaande klantreizen. Voor hypotheekadviseurs, geldverstrekkers, gemeenten en verduurzamingspartijen ligt hier een belangrijke kans. ETS2 maakt de urgentie groter, maar goede data en slimme software kunnen het handelingsperspectief vergroten. Want de komende jaren wordt de vraag niet alleen of woningen duurzamer moeten worden. De vraag wordt vooral: hoe zorgen we dat huishoudens hun woning kunnen verduurzamen zonder dat de woonlasten onnodig oplopen?

  • Renovatiepaspoort maakt verduurzaming direct bespreekbaar in het hypotheekgesprek

    Met de komst van het renovatiepaspoort wordt verduurzaming een stuk concreter voor woningeigenaren, kopers én hypotheekadviseurs. Waar het energielabel vooral laat zien hoe een woning er vandaag voor staat, voegt het renovatiepaspoort daar iets wezenlijks aan toe: een routekaart naar verbetering. Via EP-online wordt het straks mogelijk om niet alleen het actuele energielabel van een woning te raadplegen, maar ook de stappen te zien die nodig zijn om het energieverbruik te verlagen en het label te verbeteren. Daarmee ontstaat direct meer inzicht in wat er technisch, energetisch en financieel nodig is om een woning verder te verduurzamen. Van momentopname naar stappenplan Het energielabel is in de basis een momentopname. Het geeft aan hoe energiezuinig een woning nu is. Het renovatiepaspoort bouwt daarop voort en laat zien welke logische verbeterstappen een eigenaar kan zetten richting een energiezuiniger en uiteindelijk emissiearm gebouw. Die opbouw is waardevol, omdat verduurzaming in de praktijk zelden uit één maatregel bestaat. Vaak begint het met isolatie, gevolgd door verbeteringen in warmtevoorziening en daarna de inzet van hernieuwbare energie. Juist die gefaseerde aanpak helpt om verduurzaming overzichtelijk, uitlegbaar en financieel planbaar te maken. Waardevol in het hypotheekgesprek Voor hypotheekadviseurs en geldverstrekkers is deze ontwikkeling bijzonder relevant. In het adviesgesprek ontstaat direct inzicht in de verduurzamingsmogelijkheden van een woning. Niet alleen op hoofdlijnen, maar juist ook in de vorm van concrete stappen, verwachte investeringen en de mogelijke impact op energieverbruik en energielasten. Dat maakt het gesprek met de klant veel sterker. Verduurzaming blijft dan niet hangen in algemene ambities of losse wensen, maar wordt onderdeel van een onderbouwd financieringsgesprek. De adviseur kan sneller laten zien wat er nog nodig is in de woning, welke volgorde logisch is en welk bedrag daarvoor ongeveer meegenomen moet worden in de financiering. Sneller financieren zonder onnodig wachten Een groot voordeel is dat er al een energielabel beschikbaar is en dat het renovatiepaspoort daarop voortbouwt. Daardoor hoeft een hypotheekadviseur niet eerst te wachten op een aanvullend energieadvies of op offertes van installateurs om verduurzaming financieel mee te nemen. Juist in de financieringsfase is dat winst. Daar telt snelheid, duidelijkheid en onderbouwing. Als direct zichtbaar is welke maatregelen passend zijn en welke investeringen daarbij horen, kan de financiering sneller geregeld worden. Dat helpt klanten om verduurzaming meteen mee te nemen in hun plannen, in plaats van het door te schuiven naar een later moment. Minder onzekerheid, meer handelingsperspectief Voor consumenten is verduurzaming vaak ingewikkeld door een gebrek aan overzicht. Wat moet eerst? Wat levert het op? En wat kost het? Het renovatiepaspoort helpt om die onzekerheid te verkleinen. Niet door alleen te benoemen dat een woning beter kan, maar door te laten zien hoe. Dat is niet alleen praktisch voor bestaande woningeigenaren, maar ook voor kopers die een woning op waarde willen verbeteren. Zij krijgen eerder inzicht in de verduurzamingsopgave en kunnen daar hun financiering en keuzes direct op afstemmen. Kans voor ketensamenwerking De toevoeging van het renovatiepaspoort laat ook zien hoe belangrijk goede digitale ontsluiting van brondata is. Als informatie uit EP-online op het juiste moment beschikbaar komt in klantreizen en adviesprocessen, ontstaat er ruimte om verduurzaming beter te integreren in hypotheekadvies, woningfinanciering en dienstverlening rondom wonen. Daarmee wordt verduurzaming minder afhankelijk van losse initiatieven en meer onderdeel van het reguliere proces. Precies daar zit de echte versnelling: in het slim verbinden van inzicht, advies, financiering en uitvoering. Conclusie Het renovatiepaspoort is een logische en waardevolle aanvulling op het energielabel. Niet omdat het alleen meer informatie geeft, maar omdat het de stap maakt van inzicht naar actie. Voor klanten wordt duidelijker wat er mogelijk is. Voor hypotheekadviseurs wordt het eenvoudiger om verduurzaming direct mee te nemen in het gesprek en in de financiering. En juist dat maakt het verschil: niet wachten op een later adviestraject, maar verduurzaming al aan de voorkant meenemen, op basis van data die er al is.

  • Van investering naar maandlast: de ontbrekende schakel in verduurzamingstools

    Er zijn inmiddels veel goede verduurzamingstools op de markt. Tools die op basis van woningdata, energielabels en technische kenmerken kunnen berekenen welke maatregelen verstandig zijn voor een woning. Denk aan isolatie, HR++ glas, zonnepanelen, een hybride warmtepomp of een volledig elektrische warmtepomp. Vaak komt daar een overzicht uit met mogelijke maatregelen, verwachte energiebesparing en een indicatie van de investering. Dat is waardevol. Maar in veel klantreizen ontbreekt nog één essentieel onderdeel: de financiële vertaling naar maandlasten. Want voor veel woningeigenaren is niet de vraag: “Wat kost deze verduurzaming in totaal?” De echte vraag is: “Kan ik dit betalen, en wat betekent dit per maand?” Onderzoek bevestigt: verduurzaming verlaagt energie-uitgaven Dat verduurzaming financieel effect heeft, wordt ook steeds beter onderbouwd met data. In een recent artikel in ESB — “Verduurzamingsmaatregelen zorgen voor minder energie-uitgaven” — wordt op basis van geanonimiseerde transactiedata gekeken naar de ontwikkeling van energie-uitgaven van huishoudens die gebruikmaken van regelingen zoals de ISDE en het Nationaal Warmtefonds. De kern: huishoudens die verduurzamingsmaatregelen nemen, zien hun energie-uitgaven dalen. Dat is een belangrijk inzicht. Niet alleen omdat het laat zien dat maatregelen technisch werken, maar vooral omdat het bevestigt dat verduurzaming ook financieel merkbaar kan zijn voor huishoudens. Daarmee wordt de rekensom achter verduurzaming concreter: niet alleen kijken naar de investering vooraf, maar juist naar het effect op de maandelijkse woonlasten. Drie gesprekken in één week met dezelfde constatering Deze week sprak ik drie verschillende klanten over hun verduurzamingsjourney. Alle drie waren ze bezig met tooling, klantactivatie of het inzichtelijk maken van verduurzamingsmaatregelen. Maar in alle gesprekken kwam dezelfde ontbrekende schakel naar voren. De technische woninganalyse was aanwezig. De maatregelenlijst was aanwezig. De indicatie van kosten en besparing was aanwezig. Maar de financiële consequenties — en vooral de financiële voordelen — werden nog onvoldoende integraal meegenomen. En dat is zonde. Juist daar zit vaak het verschil tussen interesse en actie. Een hoog investeringsbedrag schrikt af Wanneer een klant te horen krijgt dat verduurzaming €15.000, €25.000 of €35.000 kost, ontstaat er direct weerstand. Dat bedrag voelt groot, onzeker en risicovol. Zeker als de klant niet precies weet wat hij ervoor terugkrijgt. Maar als je dezelfde investering terugrekent naar maandelijkse kosten en besparingen, ontstaat er een heel ander gesprek. Dan gaat het niet meer alleen over een investering, maar over de netto maandlast na: Energiebesparing; ISDE-subsidie; Lokale subsidies; Hypotheekvoordelen; Financiering via het Warmtefonds; SVN-leningen; Mogelijke rentekorting door een beter energielabel; Comfortverbetering en waardebehoud van de woning. De ISDE is bedoeld voor onder meer isolatie, warmtepompen, zonneboilers en aansluiting op een warmtenet. Bij het combineren van twee of meer verduurzamingsmaatregelen kan de subsidie volgens de informatie van Volkshuisvesting Nederland oplopen tot 30% van de investering. Ook Milieu Centraal benoemt dat gemeenten en provincies soms aanvullende subsidiepotjes hebben, waardoor de lokale component in de rekensom belangrijk blijft. Verduurzamen is vaker budgetneutraal dan mensen denken Als je alle onderdelen goed meeneemt, blijkt verduurzamen in veel gevallen verrassend haalbaar. Zeker bij isolatie en/of een warmtepomp kan de combinatie van subsidie, energiebesparing en passende financiering ervoor zorgen dat de investering budgetneutraal uitpakt. Daarmee bedoel ik: de maandelijkse besparing en financiële voordelen zijn gelijk aan of hoger dan de maandelijkse financieringslast. Dat vraagt wel om een volledige rekensom. Alleen kijken naar de bruto investering is onvoldoende. Je moet juist kijken naar de netto investering na subsidies, de verwachte energiebesparing, de financieringsvorm en de eventuele hypotheekvoordelen. Een voorbeeld: Een woningeigenaar krijgt een offerte voor isolatie en een hybride warmtepomp. De bruto investering lijkt fors. Maar na aftrek van ISDE, lokale subsidie en lagere energielasten ontstaat een ander beeld. Als daar vervolgens ook nog een gunstige lening of hypotheekoplossing tegenover staat, kan de maandelijkse impact beperkt of zelfs positief zijn. Dat is precies het inzicht dat klanten nodig hebben om een beslissing te nemen. Van verduurzamingsadvies naar financierbare klantreis Veel tools beantwoorden vooral de technische vraag: wat kan er aan deze woning gebeuren? Maar de klant wil uiteindelijk antwoord op een andere vraag: wat betekent dit voor mijn portemonnee? Daarom moet een goede verduurzamingsjourney verder gaan dan een maatregelenadvies. De klantreis moet de stap maken van: maatregel → investering → subsidie → netto investering → financiering → maandlast → besparing → budgetneutraal ja/nee Pas dan wordt verduurzaming concreet genoeg om in actie te komen. Dat sluit ook aan bij de richting die je in de markt ziet. NHG benoemt bijvoorbeeld dat energiebesparende maatregelen via het Energiebespaarbudget of Energie Besparende Voorzieningen kunnen worden meegenomen bij de hypotheek. Daarbij gaat het onder meer om isolatie, HR++ glas, warmtepompen en zonnepanelen. Data en API’s maken deze rekensom schaalbaar De uitdaging is dat deze rekensom uit veel verschillende onderdelen bestaat. Je hebt data nodig over de woning, de maatregelen, subsidies, financieringsmogelijkheden, hypotheekvoordelen en energiebesparing. Die informatie zit vaak verspreid over verschillende bronnen. Daarom werk ik veel met data en API’s om deze onderdelen bij elkaar te brengen. Niet als losse informatieblokken, maar als één geïntegreerde berekening. Daarmee kun je per woning en per maatregelenpakket inzichtelijk maken: wat de bruto investering is; welke ISDE-subsidie beschikbaar is; welke lokale subsidies mogelijk zijn; wat de netto investering wordt; welke maandelijkse energiebesparing verwacht mag worden; welke financieringsvorm passend is; wat het effect is op de maandlast; en of de investering budgetneutraal kan worden uitgevoerd. Dit maakt verduurzaming niet alleen begrijpelijker voor de klant, maar ook beter toepasbaar voor banken, hypotheekadviseurs, gemeenten, intermediairs en uitvoerende partijen. Conversie begint bij financiële duidelijkheid Veel verduurzamingsinitiatieven blijven hangen in bewustwording. Klanten lezen informatie, bekijken maatregelen, klikken misschien door, maar zetten geen vervolgstap. Niet omdat ze verduurzaming onbelangrijk vinden, maar omdat de financiële duidelijkheid ontbreekt. Wie de klant echt wil helpen, moet verder gaan dan advies over maatregelen. Je moet laten zien wat het betekent in euro’s per maand. Daar zit de conversiekracht. Een klant die alleen een investeringsbedrag ziet, haakt sneller af. Een klant die ziet dat de investering grotendeels of volledig wordt gecompenseerd door besparing en financiële regelingen, komt eerder in beweging. Wil je dat ik dit ook voor jouw klantreis doorreken? Ik help organisaties om deze rekensom op basis van data en API’s inzichtelijk te maken. Voor individuele woningen, klantgroepen of volledige hypotheekportefeuilles. Heb je voorbeelden van woningen met een maatregelenlijst of offerte? Dan reken ik graag door of de investering budgetneutraal kan worden uitgevoerd. Want verduurzamen begint niet alleen met weten wat technisch mogelijk is. Het begint met begrijpen wat financieel haalbaar is.

  • Verduurzamen begint niet bij beleid, maar bij de keukentafel. Twee voorbeelden hoe klanten financieel voordelig kunnen verduurzamen.

    De verduurzaming van woningen is geen toekomstmuziek meer. Voor veel woningeigenaren is het inmiddels een onderwerp dat direct invloed heeft op hun maandlasten, wooncomfort en zelfs de waarde van hun woning. Met de komst van het Nationaal Plan Renovatie Gebouwen (NBRP) en de Europese EPBD IV-richtlijn wordt verduurzaming steeds meer een vast onderdeel van wonen, kopen, verkopen en financieren. Toch merk ik in de praktijk dat het probleem niet zit in een gebrek aan ambitie, maar juist in de uitvoering. Mensen willen vaak best verduurzamen, maar weten simpelweg niet waar ze moeten beginnen. Er zijn te veel regelingen, te veel technische keuzes en vooral te weinig duidelijkheid over de financiële gevolgen. De vraag die ik het meest krijg is niet: “Welke warmtepomp moet ik kiezen?” maar veel vaker: “Kan ik dit eigenlijk wel betalen?” En precies daar begint de echte verduurzamingsopgave. We hebben in Nederland inmiddels een goed gevuld landschap van subsidies, leningen en stimuleringsmaatregelen. Denk aan de ISDE-regeling, het Nationaal Warmtefonds, gemeentelijke subsidies, extra hypotheekruimte voor energiebesparende maatregelen en rentekortingen bij een beter energielabel. Op papier is er dus veel mogelijk. In de praktijk ziet een woningeigenaar vooral losse puzzelstukjes die nergens samenkomen. Dat zorgt voor stilstand. Veel mensen blijven hangen in keuzestress. Moet je eerst isoleren of juist een warmtepomp plaatsen? Is HR++ glas voldoende of moet je direct naar triple glas? Wat doet dat met je energierekening? Welke subsidie geldt in jouw gemeente? En wat betekent dat uiteindelijk voor je maandlasten? Zonder een duidelijke business case blijft verduurzaming een abstract verhaal. Daarom geloof ik sterk dat verduurzaming niet moet starten bij beleid, maar bij de individuele woning en de financiële situatie van de bewoner. Niet met de boodschap dat iemand “zou moeten verduurzamen”, maar met een concreet antwoord op vijf simpele vragen: wat is mijn huidige energielabel, welke maatregelen zijn verstandig, wat kost dat, welke subsidies zijn beschikbaar en wat betekent dat onderaan de streep per maand? Pas dan ontstaat beweging. Ik werk veel aan dit soort vraagstukken voor gemeenten, hypotheekverstrekkers en adviseurs. Mijn uitgangspunt is daarbij altijd hetzelfde: verduurzaming moet begrijpelijk, uitvoerbaar en financieel logisch zijn. Niet als extra verplichting, maar als een kans om comfortabeler te wonen én slim met geld om te gaan. Een goed voorbeeld hiervan zie je bij een tussenwoning in Venlo uit 1970 met energielabel E. De eigenaar wil lagere energiekosten, meer comfort en tegelijkertijd de woning toekomstbestendig maken. In zo’n situatie blijkt vaak dat een combinatie van spouwmuurisolatie, vloerisolatie, HR++ glas en een hybride warmtepomp de meest logische route is. De totale investering ligt dan rond de €9.200. Dankzij ISDE-subsidie, gemeentelijke ondersteuning vanuit Venlo en financiering via het Nationaal Warmtefonds blijft een netto investering over van ongeveer €6.250. Bij een financiering tegen 0% rente komt de maandelijkse aflossing uit op ongeveer €52. De energiebesparing ligt rond de €86 per maand, met extra stroomkosten van ongeveer €30. Uiteindelijk blijft er dus direct een positieve cashflow over. Dat is het moment waarop verduurzaming ineens logisch wordt. Niet omdat er subsidie is, maar omdat de bewoner begrijpt dat de maandlasten verbeteren. Een ander voorbeeld is een vrijstaande woning uit 1995, eveneens in Venlo, met energielabel C. Hier is de wens vaak groter: volledig gasloos wonen en voorbereid zijn op de toekomst. In dat geval kijken we bijvoorbeeld naar een all-electric warmtepomp en triple glas met nieuwe kozijnen. De totale investering komt dan uit op ongeveer €22.500. Door ISDE-subsidie en aanvullende gemeentelijke regelingen blijft een netto investering over van circa €12.700. Door de verbetering naar energielabel A++++ ontstaat daarnaast vaak rentekorting op de hypotheek. In combinatie met het volledig wegvallen van de gasrekening levert dit een jaarlijkse besparing op van ongeveer €2.400. De terugverdientijd ligt dan rond de zeven jaar, terwijl de woningwaarde stijgt en het wooncomfort direct merkbaar verbetert. Dat zijn de gesprekken die inwoners willen voeren. Niet over beleidsstukken of Europese richtlijnen, maar over hun eigen woning, hun eigen maandlasten en hun eigen toekomst. Gemeenten kunnen hierin een enorme rol spelen. Niet alleen door subsidies beschikbaar te stellen, maar vooral door inwoners actief te helpen bij het maken van de juiste keuzes. Door lokale subsidies automatisch inzichtelijk te maken, door verduurzaming onderdeel te maken van de klantreis bij aankoop van een woning en door samen te werken met hypotheekadviseurs en geldverstrekkers ontstaat er een veel krachtiger systeem. Juist bij een verhuizing ligt vaak de grootste kans. Mensen staan dan open voor investeringen, er is financieringsruimte en de woning wordt opnieuw beoordeeld. Dat is hét moment om verduurzaming niet als extra onderwerp te zien, maar als integraal onderdeel van goed woonadvies. Mijn werk zit precies op dat snijvlak. Ik help om beleid te vertalen naar praktische oplossingen. Niet nóg een beleidsdocument, maar concrete tooling waarmee inwoners en adviseurs direct inzicht krijgen in wat mogelijk is. Door subsidies, financiering en energiebesparing samen te brengen ontstaat een echte business case. En dat is uiteindelijk waar verduurzaming om draait. Niet zeggen: “u moet verduurzamen.” Maar laten zien: “dit kunt u morgen doen — en dit levert het op.” De toekomst van de gebouwde omgeving begint dan ook niet in Den Haag of Brussel, maar gewoon aan de keukentafel. Daar waar een woningeigenaar wil weten of zijn woning klaar is voor de toekomst. Daar waar iemand wil begrijpen of verduurzaming betaalbaar is. Daar begint de echte transitie. En precies daar moet de oplossing ook starten. Wilt u weten hoe deze business case eruitziet voor uw woning, uw klanten of uw gemeente? Ik maak deze berekeningen ook voor andere gemeenten en woningtypen, zodat verduurzaming niet theoretisch blijft, maar direct leidt tot concrete keuzes en haalbare maandlasten.

  • ABN AMRO start “Beter Wonen”: verduurzamen zonder hogere maandlasten

    ABN AMRO kondigde onlangs de pilot Beter Wonen aan: woningeigenaren worden actief geholpen om hun woning te verduurzamen zonder dat de maandlasten stijgen. TNO publiceerde daarop een verdiepend stuk waarin ze uitleggen waarom dit in veel gevallen financieel kan kloppen, mits je het goed organiseert (advies, uitvoering én financiering). De kern is simpel: kijk niet alleen naar “wat kost het?”, maar naar woonlasten. Wat betekent “budgetneutraal” in normale mensentaal? Budgetneutraal verduurzamen betekent: extra maandlast (financiering) ≤ maandelijkse besparing op energie. En als je daarbij ook nog subsidies en (waar van toepassing) gunstige leningen meeneemt, wordt de kans groter dat de rekensom klopt. Waarom lukt dit bij veel woningen wél? Omdat maatregelen vaak twee dingen tegelijk doen: Energieverbruik omlaag (direct effect op je rekening) Comfort omhoog (minder tocht, stabielere temperatuur, stiller huis) En precies dát is wat Beter Wonen probeert te “ontzorgen”: niet alleen een lening, maar ook het plan, de subsidie-afhandeling en de uitvoering met partners. De 3 voorwaarden om het écht budgetneutraal te krijgen In onze praktijk zien we dat het vooral afhangt van drie punten: 1) De juiste volgorde Eerst isoleren/ventilatie op orde, dán installatie (warmtepomp/hybride). Anders betaal je vaak te veel voor vermogen dat je niet nodig hebt. 2) Realistische aannames Besparing verschilt per woning, gedrag en energieprijs. Een goede berekening werkt met bandbreedtes (conservatief / verwacht / optimistisch). 3) Financiering die past bij jouw situatie Korte looptijd kan je maandlast onnodig hoog maken. Een passende looptijd en productkeuze is vaak het verschil tussen “net niet” en “prima te doen”. Waarom dit onderwerp nu extra relevant is Beter Wonen laat iets belangrijks zien: budgetneutraal verduurzamen is niet alleen een rekensom, het is een klantreis. Als je het “gedoe” wegneemt en de uitkomst betrouwbaar maakt, gaan meer mensen het ook écht doen. Wil je weten wat in jouw woning budgetneutraal kan? Wij maken budget neutrale verduurzaming berekeningen die precies dat inzicht geven: welke maatregelen passen bij jouw woningtype wat het doet met je maandlast én energierekening welke subsidies/regelingen relevant zijn en wat de meest logische volgorde is Probeer het hier, vul je postcode + huisnummer in dan laat ik je zien welke verduurzamingsstap voor jou het meest kansrijk is om zonder hogere woonlasten te starten. Bron (TNO):

  • Van beleid naar praktijk: verduurzaming werkbaar maken voor hypotheekadviseurs

    Tijdens het SEH Kennis & Innovatie Event verzorgden Mieke Pels en ik de masterclass “Verduurzaming in lijn met AFM-kaders”. In deze sessie namen we adviseurs mee in een vraag die steeds urgenter wordt: hoe vertaal je overheidsbeleid en toezichtkaders naar een werkbare adviespraktijk? De rode draad van onze presentatie was helder: verduurzaming moet niet blijven hangen in beleid, ambities of losse informatiebronnen, maar moet landen in het dagelijkse werk van de hypotheekadviseur. De opgave is groot, en raakt direct het hypotheekadvies De gebouwde omgeving staat voor een forse verduurzamingsopgave. In de presentatie lieten we zien dat beleid zich vertaalt in concrete doelen rond isolatie, warmtepompen, warmtenetten en toekomstig normeren van gebouwen. Ook verandert de context voor energielabels, energieprestaties en financieringsmogelijkheden verder in de komende jaren. Dat lijkt op het eerste gezicht vooral beleid, maar de impact komt uiteindelijk terecht in de adviespraktijk. Want zodra verduurzaming invloed heeft op woonlasten, leenruimte, productkeuze en betaalbaarheid, wordt het automatisch relevant voor het hypotheekdossier. AFM maakt verduurzaming explicieter onderdeel van passend advies Een belangrijk deel van de masterclass ging over de concept-leidraad van de AFM. Die concretiseert wat passend advies en zorgplicht betekenen en zal worden gebruikt bij toezicht en dossierbeoordeling. Daarmee wordt verduurzaming niet langer alleen iets “extra’s”, maar nadrukkelijker een onderwerp dat adviseurs herkenbaar en uitlegbaar moeten meenemen in hun proces. In de presentatie benoemden we ook de belangrijkste aandachtspunten. Denk aan het bespreken van leenruimte op basis van het energielabel, de invloed van het label op hypotheekproducten, de duurzaamheidsdoelen van de klant, betaalbaarheid bij hogere energiekosten en de mogelijkheid om financiering voor verduurzaming te betrekken in het advies. Ook funderingsrisico’s krijgen explicieter aandacht. Voor adviseurs betekent dit vooral: meer structuur, meer onderbouwing en meer consistentie in vastlegging. De uitdaging: niet méér gedoe, maar betere ondersteuning Daar zit precies de spanning. Want de sector wil verduurzaming serieus meenemen, maar de praktijk van het hypotheekadvies vraagt om snelheid, eenvoud en goede dossieropbouw. Extra Excel-bestanden, losse websites en handmatig zoekwerk helpen dan niet. In onze sessie hebben we daarom benadrukt dat standaardiseren alleen werkt als het leidt tot minder frictie in het adviesproces. De kern is dus niet dat adviseurs alles zelf moeten uitzoeken, maar dat relevante informatie op het juiste moment beschikbaar komt in een vaste en uitlegbare structuur. Van richtlijn naar oplossing: de Verduurzamingstoolbox Om die stap van beleid en toezicht naar uitvoering te maken, lieten we tijdens het event de Verduurzamingstoolbox zien. Deze oplossing is bedoeld om verduurzamingsinformatie beter beschikbaar te maken binnen de bestaande keten, onder andere richting hypotheekadviessoftware, bankomgevingen, website tooling en energieloketten. In de presentatie hebben we laten zien welke vragen daarin praktisch ondersteund kunnen worden, zoals: welk energielabel een woning heeft; wat de impact van het energielabel is op de leenruimte; welke subsidies van toepassing zijn; welke hypotheekproducten passend zijn bij verduurzamingswensen; welke niet-hypothecaire financieringsvormen, zoals Warmtefonds of SVN, relevant kunnen zijn. Daarmee verschuift verduurzaming van een versnipperd zoekproces naar een meer gestandaardiseerde adviesondersteuning. Inzicht, keuze en financiering De praktische boodschap uit onze masterclass was simpel: maak verduurzaming behapbaar. Niet door alles tegelijk te willen oplossen, maar door te werken met een logische structuur. In de presentatie vatten we dat samen als: Inzicht → Keuze → Financiering. Eerst breng je de uitgangssituatie in beeld. Daarna bespreek je welke richting of maatregel past bij de klant. Pas daarna komt de vraag welke financieringsoplossing passend is. Juist die volgorde helpt om verduurzaming niet als los onderwerp te behandelen, maar als integraal onderdeel van goed hypotheekadvies. Waarom dit nu relevant is De actualiteit laat zien dat verduurzaming niet alleen een klimaat- of beleidsvraagstuk is, maar ook een vraag van betaalbaarheid, risico-inzicht en klantbediening. Voor adviseurs neemt de druk toe om hierover niet alleen iets te vinden, maar er ook zorgvuldig en consistent mee om te gaan. Daarom is het nu belangrijk om de vertaalslag te maken van abstract beleid en concept-richtlijnen naar concrete ondersteuning in de praktijk. Dat was precies de insteek van onze sessie op het SEH Kennis & Innovatie Event. Bekijk de presentatie Ook aan de slag met verduurzaming in het hypotheekadvies? De beweging is helder: van overheidsbeleid en AFM-kaders naar concrete, toepasbare ondersteuning voor de adviespraktijk. Wil je de presentatie van het SEH Kennis & Innovatie Event bekijken? Bekijk de video of download hier de slides.

  • Energiearmoede verminderen? Begin met isolatie van de slechtste woningen

    Energiearmoede is geen tijdelijk probleem dat je oplost met compensatie alleen. Nieuwe berekeningen van TNO laten zien dat gerichte isolatie van slecht geïsoleerde woningen juist structureel kan bijdragen aan lagere energielasten, minder gasverbruik en meer wooncomfort. De kern van het onderzoek is helder: met een eenmalige investering van circa 3 miljard euro kunnen de woningen van huishoudens met energiearmoede worden geïsoleerd tot de landelijke isolatiestandaard. Dat komt neer op gemiddeld ruim €11.000 per woning. Voor deze huishoudens levert dat jaarlijks een besparing op van gemiddeld circa 500 m³ gas. Bij de slechtst geïsoleerde woningen loopt die besparing op tot ruim 800 m³ gas per jaar. Dat betekent concreet: minder afhankelijkheid van energiecompensatie, lagere maandlasten en een woning die beter voorbereid is op de energietransitie. Van compenseren naar investeren De afgelopen jaren is energiearmoede vooral bestreden met tijdelijke maatregelen, zoals energietoeslagen en prijsplafonds. Die maatregelen waren begrijpelijk tijdens de energiecrisis, maar ze lossen het onderliggende probleem niet op. Een slecht geïsoleerde woning blijft immers jaar na jaar leiden tot hoge energiekosten. Vooral huishoudens met een laag inkomen hebben daar direct last van. Zij hebben vaak minder financiële ruimte om zelf te investeren in verduurzaming, terwijl zij juist het meeste profiteren van lagere energielasten. De conclusie van TNO is daarom belangrijk: meer investeren in isolatie betekent op termijn minder compenseren via inkomenssteun. De slechtste woningen leveren de grootste maatschappelijke winst op Binnen de groep huishoudens met energiearmoede wonen ongeveer 256.000 huishoudens in een woning die nog niet voldoet aan de isolatiestandaard. Een kleinere groep van circa 23.200 huishoudens woont in de allerslechtst geïsoleerde woningen, vergelijkbaar met energielabel F of G. Juist bij deze woningen is de opgave groot, maar de opbrengst ook. TNO laat zien dat de gasbesparing per geïnvesteerde euro bij huishoudens met energiearmoede hoger ligt dan gemiddeld. Met andere woorden: investeren in deze woningen is niet alleen sociaal rechtvaardig, maar ook doelmatig vanuit klimaat- en energiebeleid. Dat maakt een “slechtste woningen eerst”-aanpak logisch. Niet generiek subsidiëren, maar gericht investeren waar de combinatie van lage inkomens, hoge energielasten en slechte woningkwaliteit het zwaarst drukt. Een belangrijke rol voor banken, gemeenten en woningcorporaties De uitkomsten van het onderzoek raken direct aan de opgave van geldverstrekkers, gemeenten en woningcorporaties. Voor woningcorporaties en verhuurders ligt er een duidelijke renovatieopgave. De huurder profiteert van een lagere energierekening, terwijl de verhuurder de investering moet doen. Dat vraagt om slimme afspraken en gerichte ondersteuning vanuit de overheid. Voor gemeenten ligt er een kans om energiearmoede veel preciezer aan te pakken. Niet alleen via inkomensregelingen, maar door data over woningkwaliteit, inkomen, energieverbruik en eigendomssituatie te combineren. Daarmee kunnen gemeenten beter bepalen waar isolatiemaatregelen het meeste effect hebben. Ook banken en hypotheekverstrekkers hebben een rol. Vooral bij koopwoningen met slechte energielabels is innovatieve financiering nodig. Denk aan verduurzamingsdepots, gebouwgebonden financiering of hypotheekoplossingen waarbij energiebesparing structureel wordt meegenomen in betaalbaarheid en klantadvies. Digitalisering maakt gerichte verduurzaming mogelijk De belangrijkste uitdaging is niet alleen financieel, maar ook organisatorisch. We weten steeds beter welke woningen moeten worden aangepakt. De vraag is hoe we dat op grote schaal uitvoerbaar maken. Daar ligt een grote rol voor digitalisering. Door woningdata, energielabels, inkomensindicatoren, subsidiemogelijkheden en financieringsruimte slim te combineren, kunnen huishoudens veel gerichter worden geholpen. Niet met algemene informatie, maar met een concreet handelingsperspectief: welke maatregelen zijn nodig, wat kosten ze, welke subsidie is beschikbaar en wat betekent dit voor de maandlasten? Voor hypotheekadviseurs betekent dit dat verduurzaming geen los onderwerp meer moet zijn, maar een logisch onderdeel van financieel advies. Zeker bij aankoop, verbouwing of renteherziening ligt er een natuurlijk moment om woningkwaliteit, energielasten en financieringsmogelijkheden integraal te bespreken. Isolatie is geen volledige oplossing, maar wel een noodzakelijke stap TNO benadrukt terecht dat woningisolatie energiearmoede niet volledig oplost. Daarvoor blijven ook inkomensbeleid, energiebesparing en betaalbare energie nodig. Maar isolatie pakt wel een structurele oorzaak aan: de slechte energetische kwaliteit van woningen. Daarom is de boodschap krachtig: wie energiearmoede serieus wil verminderen, moet niet alleen blijven compenseren, maar vooral investeren in de woningen waar de nood het hoogst is. De energietransitie wordt pas succesvol als zij ook betaalbaar en uitvoerbaar is voor huishoudens met de kleinste financiële ruimte. Juist daar begint de grootste maatschappelijke impact.

  • Klimaatbestendig Nederland vraagt om keuzes, niet om uitstel

    Klimaatverandering is in Nederland allang geen abstract toekomstbeeld meer. We merken het nu al. Hittegolven duren langer, droge periodes zetten waterbeschikbaarheid onder druk en extreme buien zorgen steeds vaker voor schade, overlast en verstoringen in het dagelijks leven. De vraag is daarom niet meer óf we ons moeten aanpassen, maar hoe snel en hoe slim we dat doen.    Het recente PBL-rapport maakt dat pijnlijk duidelijk. Nederland wordt warmer, droger én natter. Juist die combinatie maakt klimaatadaptatie complex. Het gaat niet om één probleem, maar om een stapeling van risico’s die wonen, gezondheid, infrastructuur, drinkwater, natuur, landbouw en de economie tegelijk raken.    De gevolgen raken steeds meer ons dagelijks leven   De impact van klimaatverandering zit niet alleen in grote systeemvragen, maar juist ook in alledaagse gevolgen.   Denk aan woningen die in de zomer structureel te warm worden. Denk aan schade aan funderingen door droogte en lage grondwaterstanden. Denk aan wateroverlast waardoor straten, tunnels en vitale voorzieningen minder bereikbaar worden. Of aan toenemende druk op drinkwater, voedselprijzen en energievoorziening. Volgens het PBL zullen deze risico’s richting 2050 verder toenemen als Nederland geen aanvullende maatregelen neemt.    Vooral kwetsbare groepen worden geraakt. Ouderen, jonge kinderen, mensen met een kwetsbare gezondheid en huishoudens met beperkte financiële ruimte hebben minder mogelijkheden om zich aan te passen. Daarmee is klimaatadaptatie niet alleen een ruimtelijk of technisch vraagstuk, maar ook een maatschappelijk en sociaal vraagstuk.    Twee routes: intensiveren of transformeren   Het PBL beschrijft grofweg twee manieren waarop Nederland zich kan voorbereiden.   De eerste route is intensiveren : meer technische maatregelen nemen om bestaande functies te beschermen. Denk aan airco’s, zonwering, extra drainage, zwaardere riolering of aanvullende bescherming van infrastructuur.   De tweede route is transformeren : de leefomgeving anders inrichten, zodat die beter past bij een veranderend klimaat. Denk aan meer groen en water in stedelijk gebied, bouwen op plekken met minder risico, anders omgaan met zoetwater en landbouw beter afstemmen op bodem en watersysteem.    Beide richtingen hebben waarde. Technische maatregelen kunnen snel helpen. Maar op de langere termijn laat het rapport zien dat structurele, ruimtelijke keuzes vaak robuuster zijn, juist omdat ze meerdere problemen tegelijk aanpakken. Meer groen en water in steden helpt bijvoorbeeld tegen hitte, wateroverlast, droogte én draagt bij aan biodiversiteit en gezondheid.    Klimaatadaptatie moet randvoorwaarde worden   Misschien wel de belangrijkste boodschap uit het rapport is dat klimaatadaptatie geen sluitpost mag zijn. Het moet een randvoorwaarde worden bij woningbouw, infrastructuur, natuurontwikkeling en economische keuzes.    Dat betekent concreet: niet eerst bouwen en daarna pas nadenken over hitte, wateroverlast of beschikbaarheid van drinkwater en energie. Het betekent ook dat we bij de inrichting van Nederland het water- en bodemsysteem serieuzer als uitgangspunt moeten nemen. Wie nu investeert zonder klimaat mee te nemen, loopt het risico later dubbel te betalen.   Van reageren naar vooruitdenken De echte keuze waar Nederland voor staat is groter dan techniek alleen. Blijven we reageren op schade achteraf? Of richten we ons land zó in dat risico’s vooraf kleiner worden?   Dat vraagt om politieke keuzes, maar ook om samenwerking tussen overheid, markt en samenleving. Over welk beschermingsniveau vinden we acceptabel? Wie beschermen we extra? Welke functies krijgen prioriteit bij schaarste aan water? En hoeveel ruimtelijke verandering durven we toe te laten om op lange termijn juist schade en kosten te beperken?    Mijn conclusie   Voor organisaties die werken aan wonen, hypotheken, gebiedsontwikkeling, energie en publieke dienstverlening is dit rapport relevant. Niet alleen als beleidsdocument, maar als richtingwijzer.   Klimaatbestendigheid wordt de komende jaren steeds meer een ontwerpprincipe voor processen, klantreizen, financiering en ruimtelijke keuzes. Wie nu nog denkt dat klimaatadaptatie vooral een dossier is voor later, loopt achter de feiten aan.   De opgave is helder: niet wachten op de volgende hittegolf, droogteperiode of extreme bui, maar nu keuzes maken die Nederland sterker, leefbaarder en weerbaarder maken.

  • AFM leidraad: verduurzaming en funderingsrisico krijgt de plek die het verdient

    Op 9 april 2026 publiceerde de AFM haar vernieuwde Leidraad Hypotheekadvisering. Daarin valt één ding direct op: verduurzaming en funderingsproblematiek zijn niet langer bijzaken, maar nadrukkelijk onderdeel van passend hypotheekadvies. De AFM noemt verduurzaming expliciet als nieuw thema en benadrukt dat adviseurs consumenten moeten helpen bij het in kaart brengen van verduurzamingsopties, financieringsmogelijkheden en de financiële gevolgen daarvan.    Dat is een belangrijke en positieve ontwikkeling. Precies dit onderwerp heb ik op 1 april 2026 besproken tijdens het SEH Kennis & Innovatie Event, in de masterclass over verduurzaming in lijn met AFM-kaders. Daar stond centraal dat verduurzaming en funderingsrisico’s niet langer los gezien kunnen worden van goed hypotheekadvies, maar juist vroeg in het proces moeten worden meegenomen.  Meer aandacht voor woningen met label E, F en G Wat ik sterk vind aan de nieuwe leidraad, is dat de AFM veel explicieter maakt dat adviseurs verduurzaming moeten bespreken, zeker wanneer een klant een woning op het oog heeft met een laag energielabel. In de leidraad staat letterlijk dat dit belang toeneemt bij woningen met energielabel E, F of G. Ook moet het energielabel worden besproken in relatie tot de maximale leenruimte en de keuze voor een hypotheekproduct, bijvoorbeeld wanneer een duurzaamheidskorting mogelijk is.  Dat is precies de beweging die nodig is. Bij juist deze woningen moet verduurzaming niet pas ná de aankoop ter sprake komen, maar direct aan tafel liggen tijdens het financieringsgesprek. Niet als extraatje, maar als integraal onderdeel van verantwoord adviseren. Een slecht label betekent immers vaak hogere energielasten, meer toekomstig investeringsrisico en een grotere kans dat een klant later alsnog moet verduurzamen onder minder gunstige omstandigheden. De AFM onderstreept ook dat adviseurs klanten kunnen wijzen op de invloed van hoge energiekosten op de betaalbaarheid van de woonlasten en hen kunnen informeren over de manieren om energiebesparende maatregelen te financieren.  Mijn oproep wordt hiermee bevestigd: zet het EBB juist hier standaard in Voor mij bevestigt deze leidraad iets waar ik al langer voor pleit: gebruik het beschikbare Energie Bespaar Budget juist standaard bij woningen met label E, F en G. Dat is logisch om drie redenen. Ten eerste zijn dit de woningen waar de verduurzamingsopgave het grootst is. Ten tweede levert financiering op het moment van aankoop het meeste gemak op voor de klant. En ten derde voorkom je dat verduurzaming blijft hangen in uitstel, losse offertes of een apart traject dat later vaak niet meer gebeurt. De AFM laat in de leidraad ook zien dat verduurzamingswensen kunnen leiden tot een concreet advies over een hypotheek met een EBB. In het voorbeeld in de leidraad adviseert de adviseur een hypotheek met een Energie Bespaar Budget van €15.000, terwijl voor de inhoudelijke maatregelkeuze wordt verwezen naar een energieadviseur. Dat vind ik een sterk en werkbaar uitgangspunt: de hypotheekadviseur hoeft geen energie-expert te zijn, maar moet wel het onderwerp agenderen en de financiering mogelijk maken.  Funderingsproblematiek hoort ook thuis in het hypotheekgesprek Minstens zo relevant is dat de AFM nu ook expliciet aandacht vraagt voor funderingsproblematiek. In de leidraad staat dat van adviseurs relevante kennis wordt verwacht over de kans op funderingsschade in de omgeving. Zeker wanneer er concrete signalen zijn, of wanneer risico’s lokaal algemeen bekend zijn, moet de adviseur dit betrekken in het financiële advies. Als een oplossing niet direct mogelijk is, moet de klant op zijn minst bewust worden gemaakt van het financiële risico.  Dat is een grote stap vooruit. Funderingsschade is namelijk geen theoretisch onderwerp. Het raakt de waarde van de woning, de toekomstige herstelkosten, de financierbaarheid en uiteindelijk ook de betaalbaarheid van wonen. In mijn SEH-masterclass heb ik dit ook benoemd: verduurzaming en funderingsrisico vragen om meer structuur, betere informatie en minder frictie in de praktijk. Niet via extra Excel-bestanden of losse zoektochten, maar via standaardisatie, goede data en een duidelijke plek in het adviesproces.  Van losse aandacht naar structureel onderdeel van passend advies De kern van deze vernieuwde leidraad is voor mij helder: goed hypotheekadvies gaat niet alleen meer over lening, rente en productvorm. Het gaat ook over de kwaliteit en toekomstbestendigheid van de woning zelf. Dat is winst voor consumenten, winst voor adviseurs en uiteindelijk ook winst voor de markt. Want een woning met hoge energielasten of een latent funderingsrisico vraagt om een andere afweging dan een woning die technisch en energetisch op orde is. Door die realiteit eerder en beter mee te nemen, wordt advies niet alleen passender, maar ook eerlijker en toekomstgerichter. De AFM positioneert de leidraad bovendien nadrukkelijk als hulpmiddel voor passend advies en als kader waar de toezichthouder op blijft monitoren.  Mijn conclusie Ik ben positief over deze publicatie van de AFM. De leidraad geeft verduurzaming en funderingsproblematiek eindelijk de prominente rol die deze onderwerpen verdienen binnen hypotheekadvisering. Vooral de extra aandacht voor woningen met label E, F en G is belangrijk. Dit zijn precies de woningen waarbij je verduurzaming niet moet doorschuiven, maar direct moet meefinancieren bij aankoop. Dat was mijn boodschap tijdens het SEH Congres van 1 april, en het is goed om te zien dat deze lijn nu duidelijk terugkomt in de AFM-leidraad. De volgende stap is nu de vertaling naar de praktijk: minder vrijblijvendheid, meer structuur, en slimme ondersteuning in adviesprocessen zodat adviseurs dit ook echt werkbaar kunnen toepassen.

  • WLC-GWP: waarom Whole Life Carbon nu relevant wordt voor de gebouwde omgeving

    De verduurzaming van de gebouwde omgeving draait al lang niet meer alleen om energiezuinigheid. Steeds vaker verschuift de aandacht naar de totale klimaatimpact van gebouwen over hun volledige levenscyclus. In dat kader wordt WLC-GWP  — Whole Life Cycle Global Warming Potential  — een steeds belangrijkere indicator. WLC-GWP kijkt naar de totale uitstoot van broeikasgassen van een gebouw gedurende de hele levensduur. Het gaat daarbij niet alleen om emissies die samenhangen met bouwmaterialen en bouwproducten, maar ook om uitstoot door energiegebruik tijdens de gebruiksfase, onderhoud, vervanging en uiteindelijk sloop. Juist die integrale benadering maakt deze indicator relevant voor de volgende fase van verduurzaming. In Nederland is dat een belangrijke ontwikkeling. Waar de MPG  vooral stuurt op de milieuprestatie van materialen en BENG  zich richt op de energieprestatie van gebouwen, brengt WLC-GWP deze perspectieven samen in één klimaatindicator. Daarmee ontstaat een vollediger beeld van de werkelijke CO₂-impact van nieuwbouw. Binnen de Nederlandse bepalingsmethode wordt WLC-GWP uitgedrukt in kg CO₂-equivalent per m² gebruiksoppervlak per jaar , berekend over een vaste periode van 50 jaar. Dat onderscheid met MPG is wezenlijk. MPG kijkt naar meerdere milieu-impactcategorieën, terwijl WLC-GWP zich specifiek richt op broeikasgasemissies. Ook verschillen de rekeneenheid en de manier waarop de levensduur van een gebouw wordt meegenomen. WLC-GWP is daarom niet simpelweg een andere naam voor bestaande duurzaamheidsindicatoren, maar een aanvullende manier om gerichter te sturen op klimaatimpact. De relevantie van WLC-GWP neemt de komende jaren verder toe. De indicator krijgt een plek binnen wet- en regelgeving, vergunningverlening, energielabels, certificeringen, aanbestedingen en subsidies. Ook in bredere Europese kaders, zoals EU Taxonomy , Level(s)  en CSRD , wordt Whole Life Carbon steeds belangrijker. Voor ontwikkelaars, bouwers, adviseurs, financiers en beleidsmakers betekent dit dat de levenscyclusuitstoot van gebouwen steeds vaker meeweegt in keuzes, investeringen en verantwoording. Ook vanuit beleid wordt de lijn concreter. In de Nederlandse uitwerking van de EPBD  is aangekondigd dat WLC-GWP onderdeel wordt van de transitie naar emissievrije gebouwen. Uiterlijk 1 januari 2027  moet een routekaart voor WLC-GWP zijn gepubliceerd. Vanaf 2028  moet voor nieuwe grote gebouwen van meer dan 1.000 m²  een WLC-GWP-berekening worden ingediend en op het energielabel worden vermeld. Vanaf 2030  moeten alle nieuwe labelplichtige gebouwen voldoen aan de dan geldende eisen voor emissies over de gehele levenscyclus. Tegelijkertijd is de methodiek nog volop in ontwikkeling. Er zijn nog inhoudelijke discussies over onderwerpen zoals module D , de waardering van biobased materialen , de omgang met energiedragers  en de toepassing op bestaande bouw . Juist daarom is dit het moment om kennis op te bouwen. Organisaties die nu al begrijpen hoe WLC-GWP werkt, zijn beter voorbereid op toekomstige regelgeving én op de strategische keuzes die daarbij horen. WLC-GWP is daarmee meer dan een technische rekenmethode. Het is een nieuwe manier om naar duurzaamheid in de gebouwde omgeving te kijken: integraal, levenscyclusgericht en steeds directer verbonden aan beleid, financiering en marktstandaarden. Voor partijen die actief zijn in de gebouwde omgeving is het daarom verstandig om Whole Life Carbon nu al serieus mee te nemen in hun strategie en besluitvorming.

  • Klimaatadaptatie in de gebouwde omgeving: van goed idee naar serieuze randvoorwaarde

    Klimaatadaptatie was lange tijd een onderwerp dat vooral opdook in beleidsstukken, stresstesten en toekomstverkenningen. Inmiddels is dat stadium voorbij. In de gebouwde omgeving schuift klimaatadaptatie op van ambitie naar randvoorwaarde. Niet alleen omdat extreem weer vaker voorkomt, maar ook omdat de financiële, ruimtelijke en maatschappelijke gevolgen van niets doen steeds zichtbaarder worden.  Voor de woningmarkt, vastgoedontwikkeling en publieke besluitvorming is dat een relevante verschuiving. Waar verduurzaming de afgelopen jaren vooral werd gekoppeld aan energieprestatie en CO2-reductie, groeit het besef dat ook klimaatbestendigheid onderdeel moet zijn van toekomstbestendig bouwen en wonen. Denk aan hitte, wateroverlast, droogte, bodemdaling en overstromingsrisico’s. Dat zijn geen abstracte thema’s meer, maar concrete factoren die invloed hebben op investeringen, vastgoedwaarde, verzekerbaarheid en de kwaliteit van de leefomgeving.  Waarom dit onderwerp opnieuw aandacht verdient Een jaar geleden verscheen het rapport Klimaatadaptatie in een stroomversnelling , opgesteld door de werkgroep Klimaatadaptatie van het Platform voor Duurzame Financiering. De kernboodschap was toen al helder: samenleving en financiële instellingen kunnen niet wachten. Klimaatverandering raakt vastgoed, infrastructuur en woonomgevingen direct, en daarmee ook banken, verzekeraars, beleggers en overheden. Ongeveer een kwart van de balansen van Nederlandse financiële instellingen hangt samen met vastgoed. Dat maakt fysieke klimaatrisico’s direct relevant voor financiering en risicobeheer.  Sindsdien is het onderwerp verder opgeschoven. In de voortgang van de Nationale aanpak Klimaatadaptatie gebouwde omgeving is nadrukkelijk gekeken naar drie vragen: wat zijn de kosten en baten van klimaatadaptief bouwen, hoe werkt de maatlat in de praktijk, en hoe kan die juridisch beter worden geborgd. De uitkomst is relevant: de totale businesscase voor klimaatadaptieve maatregelen in de gebouwde omgeving is positief. Met andere woorden: het levert maatschappelijk en financieel meer op dan het kost, al vallen kosten en baten niet automatisch bij dezelfde partijen neer.  Dat is precies waarom klimaatadaptatie niet langer alleen een ontwerpvraag is. Het is ook een verdelingsvraag, een financieringsvraag en een sturingsvraag. De omslag: van vrijblijvend naar richtinggevend Een belangrijke ontwikkeling is de landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving. Die maatlat is ontwikkeld om eenduidig te maken wat klimaatadaptief bouwen en inrichten in de praktijk betekent. Niet als lijst met verplichte maatregelen, maar als kader met doelen, prestatie-eisen en richtlijnen voor thema’s als wateroverlast, droogte, hitte, biodiversiteit, bodemdaling en gevolgbeperking bij overstromingen. Juist daardoor ontstaat ruimte voor lokaal maatwerk én meer duidelijkheid voor marktpartijen.  Dat klinkt technisch, maar de betekenis is groot. In de praktijk worstelen gemeenten, ontwikkelaars en vastgoedeigenaren vaak met dezelfde vraag: wat mag je redelijkerwijs verwachten van klimaatbestendig bouwen? Zolang daar geen gedeeld kader voor is, blijft het onderwerp kwetsbaar in projectafwegingen. Dan wint parkeren het van vergroening, korte termijn het van lange termijn, en bouwtempo het van toekomstbestendigheid. De maatlat probeert daar een antwoord op te geven. Uit de praktijkverkenning blijkt dat betrokken partijen de maatlat waarderen omdat die zorgt voor een gedeelde taal en een gelijker speelveld. Tegelijk is ook duidelijk dat verdere concretisering nodig is en dat gemeenten behoefte hebben aan standaardteksten voor eigen beleid en omgevingsplannen.  Klimaatadaptatie is ook een financiële businesscase Een van de meest interessante inzichten uit de recente voortgang is dat klimaatadaptief bouwen niet alleen vanuit beleid of maatschappelijke verantwoordelijkheid logisch is, maar ook economisch verdedigbaar. In de verkenning naar kosten en baten is berekend dat de totale businesscase positief is. De financiële baten zijn bijna gelijk aan de totale investeringskosten, terwijl niets doen juist leidt tot hogere schade en hogere maatschappelijke kosten in de toekomst. De potentiële schade kan volgens de verkenning tot 2050 oplopen tot circa 70 miljard euro.  Dat maakt klimaatadaptatie relevanter voor financiers dan vaak wordt gedacht. Banken en verzekeraars hebben direct belang bij lagere risico’s, beter waardevast vastgoed en betere verzekerbaarheid. Tegelijk zit daar nog een knelpunt: klimaatrisico’s worden vandaag nog lang niet altijd goed ingeprijsd. Daardoor lijkt klimaatadaptief vastgoed soms duurder, terwijl het op langere termijn juist rationeler en robuuster is.  Voor de hypotheek- en vastgoedketen is dat een cruciaal punt. Zolang risico’s onvoldoende zichtbaar zijn in taxatie, acceptatie, pricing en productontwikkeling, blijft klimaatadaptatie te vaak een extra in plaats van een integraal onderdeel van de businesscase. Wat dit betekent voor de woningmarkt en het hypotheekdomein Voor iedereen die werkt op het snijvlak van wonen, financieren en vastgoedontwikkeling is klimaatadaptatie inmiddels meer dan een ruimtelijk thema. Het raakt aan de vraag hoe je woningen waardeert, hoe je risico’s uitlegt aan klanten en hoe je toekomstige betaalbaarheid en leefbaarheid meeneemt in besluitvorming. In het rapport uit 2023 wordt bijvoorbeeld gewezen op informatie-asymmetrie rond fysieke risico’s, zoals funderingsproblematiek. Als kopers, verkopers, adviseurs en financiers niet over dezelfde informatie beschikken, werkt de markt niet goed. Dat geldt breder ook voor klimaatrisico’s als hitte, wateroverlast en overstroming. Daarom is het voorstel voor een klimaatlabel voor woningen en gebouwen zo interessant: niet als administratieve extra, maar als manier om risico’s, handelingsperspectief en waardering beter bij elkaar te brengen.  Ook aan de financieringskant liggen er kansen. Het rapport benoemt dat de huidige Tijdelijke regeling hypothecair krediet vooral is gericht op klimaatmitigatie en dat verbreding met klimaatadaptatie logisch zou zijn. Daarnaast wordt gewezen op bestaande mogelijkheden zoals groenfinanciering, MIA/Vamil en sustainability linked leningen. Voor woningcorporaties, gemeenten en zakelijke vastgoedeigenaren kan dat helpen om investeringen eerder rond te rekenen.  Voor adviseurs en beleidsmakers is dat een belangrijke les: klimaatadaptatie vraagt niet alleen om normen en ambities, maar ook om slimme vertaling naar financierbaarheid, klantbediening en ketensamenwerking. Niet alles draait om nieuwbouw Klimaatadaptatie wordt nog vaak geassocieerd met nieuwbouw, maar de grootste opgave zit minstens zo goed in de bestaande gebouwde omgeving. Daar komen hitte, droogte, funderingsrisico’s, wateroverlast en een versteende openbare ruimte bij elkaar. Bovendien is juist daar de handelingsruimte vaak beperkter en zijn verantwoordelijkheden versnipperd over bewoners, corporaties, gemeenten, ontwikkelaars en financiers.  Dat maakt de opgave complexer, maar niet minder urgent. De voortgangsbrief laat zien dat vergroening financieel aantrekkelijk kan zijn, juist omdat groene maatregelen vaak meerdere doelen tegelijk dienen. Ze helpen tegen hitte, wateroverlast en leefbaarheidsproblemen, en leveren vaak meer nevenbaten op dan puur technische oplossingen.  Voor gemeenten en marktpartijen ligt hier dus geen keuze tussen “groen” of “efficiënt”, maar eerder de vraag hoe je investeringen zo organiseert dat klimaatadaptatie, leefkwaliteit en waardebehoud elkaar versterken. De volgende stap: juridische borging en standaardisatie De echte test zit de komende jaren in borging. Zolang klimaatadaptatie afhankelijk blijft van lokale ambitie of individuele projectkeuzes, blijft het tempo ongelijk en het resultaat wisselend. Daarom is het veelzeggend dat in de praktijkverkenning juridische borging door het Rijk wordt genoemd als sleutelfactor voor versnelling. Niet om innovatie dicht te regelen, maar om te zorgen dat klimaatadaptatie structureel wordt meegewogen in projecten, beleid en vergunningverlening.  Ook op standaardisatie gebeurt meer. In de voortgangsbrief wordt onder meer verwezen naar het Overleg Standaarden Klimaatadaptatie, waarin wordt gewerkt aan betere verankering van klimaatadaptatie in normen, richtlijnen en handreikingen. Dat lijkt misschien een technische stap, maar is in werkelijkheid heel praktisch: standaarden bepalen mede wat ontwerpers, bouwers, beheerders en opdrachtgevers normaal gaan vinden.  Mijn visie: klimaatadaptatie hoort thuis in de kern van het woon- en financieringsdomein Wat mij betreft is de belangrijkste conclusie dat klimaatadaptatie niet langer als apart duurzaamheidsonderwerp moet worden behandeld. Het hoort thuis in de kern van hoe we woningen ontwikkelen, financieren, taxeren, beheren en verbeteren. Voor de hypotheekmarkt betekent dat: klimaatrisico’s beter vertalen naar klantinzicht, productlogica en ketendata. Voor overheden betekent het: minder vrijblijvendheid en meer houvast in beleid en uitvoering. Voor ontwikkelaars en vastgoedeigenaren betekent het: eerder sturen op lange termijn waarde in plaats van alleen op korte termijn kosten. En voor de sector als geheel betekent het: klimaatadaptatie niet zien als rem op de woningmarkt, maar als voorwaarde voor toekomstbestendige groei. De richting is inmiddels duidelijk. De vraag is niet meer óf klimaatadaptatie onderdeel wordt van de gebouwde omgeving, maar hoe snel en hoe slim we het organiseren.

bottom of page